■ Trouw ■ Toen ik woensdagavond laat in mijn auto via de Sonja ­Barendlaan het Hilversumse Mediapark verliet, waar ik in een radioprogramma iets had mogen zeggen over kardinaal ­Simonis die net was overleden, spookte een opmerking van de interviewster nog door mijn hoofd: “Je probeert hem een beetje te verdedigen, hè?”

Terwijl ik bij de Leen Timprotonde de derde afslag nam, liep ik het gesprek nog eens door. Het ging natuurlijk over de reputatie die Simonis nu eenmaal had: een conservatieve bisschop die van Rome hier orde op zaken moest stellen en die bij tijd en wijle onbehouwen uit de hoek kon komen. Ook ik ken de omstreden uitspraken van ­Simonis uit mijn hoofd, vaak letterlijk. Over begrip tonen voor kamerverhuurders die homo’s geen kamer willen verhuren en uiteraard dat ene beladen Duitse zinnetje dat altijd aan hem zal blijven kleven.

Ik werp die uitspraken verre van me. Maar desondanks was Simonis voor mij vooral een aimabele man, die toen mijn vader net was overleden, midden in een kerkelijke plechtigheid op mij afstapte om mij te condoleren. Het is de afgelopen dagen vaker ­gezegd: geen kille manager, maar ­iemand met de zachtmoedigheid en mensenkennis van een goede dorpspastoor. Daar kun je er niet genoeg van ­hebben.

Toen ik even later weer op een weg reed die niet naar een omroepcoryfee was genoemd, maakte zich weemoed van mij meester. Een van de eerste ­interviews die ik ooit maakte, was met kardinaal Simonis. Het ging over de ­oecumene, geloof ik. Ik vermoed zo dat hij daar geen enthousiast aanhanger van was. Daarvoor was hij te veel overtuigd van het gelijk dat zijn eigen kerk al eeuwenlang tentoonspreidt. Over dat grote gelijk hebben we in ­dertig jaar regelmatig met elkaar ­gesproken. We deelden samen een ­wereld, die met zijn dood weer wat ­verder uit het zicht raakt.

De laatste keer dat we elkaar zagen, was in zijn woning in Voorhout waar hij de laatste jaren van zijn leven ­doorbracht. Midden in de bomvolle woonkamer zat Simonis in een stoel en rookte een sigaar. Om hem heen opengeslagen postzegelalbums, stapels ­boeken en ik schat zo’n vijftig jaar aan nog nauwelijks geordende papieren en ­paperassen. ‘Wij zijn uw leven’, fluisterden ze zachtjes. Simonis hoorde het niet of wilde het niet horen. De papieren, de boeken en de niet gerookte ­sigaren zijn nu ­vaderloos. Uit de tijd gestoten en al hun privileges kwijt.

Ik denk wel eens dat wanneer je sterft, je uiteenvalt in alle mensen die jou gekend hebben, van nabij of – zoals ik bij Simonis – van een afstandje. Overal liggen scherven van het beeld dat mensen van jou hadden. Maar dat beeld wordt nooit meer ­compleet, ­omdat er steeds minder van je overblijft, tot ook de laatste scherf in het stof van de aarde verdwenen is. Dat vooruitzicht stemt weemoedig.

Terwijl ik op weg naar huis in het donker de weg begon kwijt te ­raken, overviel me nog een ander gevoel van melancholie. Minder persoonlijk, maar pijnlijk genoeg. Met de dood van Simonis verdwijnt een hoofdrolspeler uit een tijd waarin de rooms-katholieke kerk in ons land nog meetelde en bisschopsbenoemingen meer het nieuws beheersten dan ­ministers die in het huwelijk treden.

Een tijd met woorden en begrippen die steeds minder mensen nog ­verstaan: gezagsverhoudingen in de kerk, de vrouw in het ambt, het dialoog­proces, de celibaatskwestie, ­uitgetreden ­priesters, opstandige ­dekens, het ­autoritaire Rome, het ­Platform Initiatieven Pausbezoek (PIP) en dreigende schisma’s. Ze zijn verworden tot ­inmiddels bijna dode taal. Het woord ‘polarisatie’ maakt het in de kerk, naar het lijkt, ook niet lang meer. Nu hoor ik u denken: ‘Maar die polarisatie was toch een verdrietige zaak? Blij dat dat voorbij is! Vindt u niet?” Niet helemaal. Het kan ook té stil zijn.

Toen ik de straat van mijn huis ­inreed, herinnerde ik mij dat kardinaal Simonis altijd bang was voor de dood. Misschien vreesde hij wel dat hij boven te horen zou krijgen dat hij het toch niet goed had gedaan en er geen plek in de hemel voor hem zou zijn. Alle angst was weg – naar ik hoorde – toen hij de laatste sacramenten had ontvangen. Hij was klaar voor het allerlaatste ­evaluatiemoment. Dat beoordelings­gesprek, waar hij dus een groot deel van zijn leven tegenop heeft gezien, zal inmiddels hebben plaatsgevonden.

Het kan niet anders of het is naar tevredenheid verlopen. Voor beide partijen.