■ VRT ■ Morgen behandelt de Raad van State het verzoekschrift dat enkele jongeren indienden, waaronder ikzelf, om het huidige, bijna totaalverbod op erediensten door de Nationale Veiligheidsraad tegen het licht te houden. Verschillende reacties gaven blijk van onbegrip. Graag lichtte ik kort toe waarom ik besloot dit initiatief te nemen.

Ik volg alle coronamaatregelen op, maar ik blijf altijd kritisch over wat onze overheid verplicht en verbiedt, en hoe ze deze sanitaire crisis aanpakt. Om te beginnen wil ik mijn steun en eerbied uitspreken voor onze bewindslieden. De door hen afgekondigde noodzakelijke lockdown is tegelijk historisch en moedig. Ook nu blijft hun opdracht moeilijk. Maar ze hebben een kapitale fout gemaakt, die snel moet worden rechtgezet.

We bevinden ons vandaag niet meer in een situatie die het totaalverbod op een zeer belangrijke vrijheid rechtvaardigt. Oordeel zelf: vanaf 14 maart en momenteel tot ten vroegste 30 juni zijn doopsels verboden en is het niet toegestaan de eucharistie bij te wonen. Huwelijken en begrafenissen zijn sinds kort toegestaan met maximaal 30 aanwezigen.

Tegelijk mag Ikea sinds 3 weken 600 mensen ontvangen en mogen dierentuinen, musea, vismarkten, kappers en kledingwinkels heropenen. Ten slotte vierden we vorige week Hemelvaartsdag, een wettelijke verlofdag. Daarom heeft de regering iedere Belg het recht verleend… om naar hun tweede verblijf te gaan. Hemelvaartsdag vieren in kerken daarentegen, dat bleef verboden.

Voor een gelovige katholiek is er niets belangrijker dan het geloof en de sacramenten. Ze verlichten zijn leven, maken hem een beter mens en inspireren hem in dienst van anderen (waarvan de vele katholieke ziekenhuizen, scholen en instellingen in ons land getuigen).

Het spreekt voor zich dat economie zeer belangrijk is. Maar wat crisissen zoals de huidige vooral onthullen, zijn de prioriteiten en de fundamentele waarden van onze samenleving. Zijn dat de handel en de economie, zaken die geld opbrengen? Of zijn dat de vrijheden van de burger, zoals vrijheid van eredienst, gewaarborgd door onze Grondwet (art. 19) en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM, art. 9)?

Voor ons zijn dat ongetwijfeld de vrijheden die allerlei initiatieven mogelijk maken, ook die in de economische sfeer in strikte(re) zin. Er zijn veel landen die hier anders over denken, en dit zijn niet de plaatsen waar u en ik onze vakantie willen doorbrengen.

De Grondwet is geschreven door twee soorten mensen: zij die de eucharistie wensen bij te wonen en zij die dat niet doen. Samen kwamen ze vervolgens overeen dat de laatsten niet kunnen worden gedwongen te doen wat de eersten belangrijk vinden (art. 20); maar ook dat het eerste nooit voorkomen kan worden door wie het niet belangrijk of zelfs onzinnig vindt (art. 19).

Met andere woorden: de grondwet is geschreven om te voorkomen dat de overheid doet wat zij vandaag precies doet: in de plaats van de burgers beslissen wat belangrijk is; de fundamentele rechten arbitrair als onderdanig aan de economie verklaren. En daarbovenop heeft zij zelfs de pretentie om zichzelf de macht te geven en te bepalen welke sacramenten dan wel mogen worden gevierd (huwelijk) en welke niet (de eucharistie en het doopsel in het bijzonder).

Grondrechten en mensenrechten moeten vooral burgers beschermen tegen een overijverige overheid die haar bevoegdheid te buiten gaat, maar die rechten zijn niet absoluut. Ze mogen worden ingeperkt in een noodsituatie en in het belang van een hoger doel. Die beperkingen moeten gemotiveerd en proportioneel zijn. Juristen spreken doorgaans van de triptiek “legaliteit, legitimiteit en evenredigheid”.

Kortom, het recht op erediensten is verzekerd, maar kan worden ingeperkt wanneer dit noodzakelijk is in het belang van een hoger doel. Ik erken uiteraard dat de volksgezondheid een doel is dat een beperking op de vrijheid van erediensten kan rechtvaardigen.

Ik zie niet in hoe een dergelijk totaalverbod, dat vandaag al 74 dagen aanhoudt, nog langer als noodzakelijk in een democratische samenleving (cfr. artikel 9 EVRM) kan worden beschouwd. Voor veel andere activiteiten die tot enkele weken geleden verboden waren en die geen grondrecht uitmaken, zijn inmiddels wel verregaande versoepelingen toegestaan. Blijkbaar is veel mogelijk indien men bepaalde veiligheidsvoorschriften volgt. Waarom is het dan onmogelijk voor grondwettelijk beschermde activiteiten?

De Franse Raad van State en het Grondwettelijk Hof van Duitsland hebben deze totale en niet-proportionele verbodsbepalingen op erediensten als een “ernstige schending en overduidelijk illegaal” bestempeld.

Wat het nog erger maakt, is de omerta. De regering-Wilmès vindt de grondwettelijke vrijheid van eredienst blijkbaar zelfs niet het vernoemen waard wanneer ze de exitstrategie bekend maakte tijdens de notoire powerpoint-persconferentie. Wij beseffen volkomen dat de huidige maatschappij geen grote religie-aanhanger is, maar men mag van de regering verwachten dat ze de Grondwet niet als een vodje papier behandelt, en de vrijheden van haar burgers in bescherming neemt. Toen de erediensten tijdens de persconferentie na de laatste Nationale Veiligheidsraad van 13 mei opnieuw zelfs niet eens werden vernoemd, was het voor mij genoeg. Er moest iets gebeuren.

Om op legitieme wijze een grondrecht te gaan inperken, is het uiteraard vereist dat de overheid in haar besluit motiveert waarom de uitoefening van deze vrijheid een onoverkomelijk gevaar is voor de volksgezondheid. En daar zit net het probleem. Er is geen enkele motivatie terug te vinden die betrekking heeft op de constitutioneel verankerde vrijheden.

Wanneer Wilmès’ regeringsploeg de uitoefening van grondwettelijke vrijheden dermate inperkt dat een de facto totaalverbod in zicht komt, en daarbij nalaat om zelfs maar te beginnen met te argumenteren waarom dit nodig is, kan men gerust gewagen van een regelrechte aanfluiting van de rechtsstaat.

Waarom hebben we een Grondwet, als de overheid bij een crisis de uitoefening ervan mag verbieden zonder uit te leggen waarom? Er vindt vandaag een in de recente geschiedenis ongeziene schending plaats van onze Grondwet (en de vrijheid van eredienst in het bijzonder), en het lijkt niemand wat te kunnen schelen.

Exotische dieren bewonderen in Planckendael, cocoon-optimalisatie via gerichte meubelaanschaf of een stimulerend museumbezoek kunnen inmiddels. Ik ben uiteraard blij voor alle betrokkenen, maar de eucharistie bijwonen is volgens de huidige regels uit den boze. Men kan zich haast afvragen waaraan katholieken en andere gelovigen een dergelijke minachting voor hun constitutionele rechten hebben verdiend.

Elke christen probeert een vernedering zoals deze met een sereen hart te aanvaarden. Maar daarmee wordt de dorst naar gerechtigheid nog niet gelest. We hebben er daarom voor gekozen ons te verdedigen voor de Raad van State. Een beroep op de Raad van State is een aanval op niemand. Het is een gemotiveerd verzoek om juridische instrumenten waarmee bewindslieden crisissen aanpakken tegen het licht te houden en du choc des idées jaillit la lumière (red.: uit de botsing van ideeën komt het licht). De Raad is de aangewezen instantie om zich over dit debat te buigen en vervolgens doordacht te corrigeren. We willen geen wraak, zelfs geen manifestatie: gerechtigheid volstaat.

Daarom hebben wij, een handvol studenten en jonge ouders, onze studietijd en wat rest van onze nachtrust opgeofferd om een zware verwaarlozing en ernstige schending van onze meest fundamentele rechten aan te kaarten.