■ KN ■ Miljoenen katholieken wereldwijd moeten het momenteel zonder toegang tot de sacramenten doen. Dat is moeilijk, maar een blik in de kerkgeschiedenis biedt hoop: het is eerder gebeurd, en er is doorheen te komen.

Het coronavirus heeft ook de levens van katholieken compleet veranderd. Openbare vieringen zijn geannuleerd en de uitreiking van de communie is in veel landen voor lange tijd geschrapt. Voor het eerst in tijden is de toegang tot dat, wat het geloof voedt, niet meer vanzelfsprekend. En dat in een tijd waarin we snakken naar deze geestelijke gaven.

De Nederlandse bisschoppen hebben daarom gewezen op de mogelijkheid van de geestelijke communie. Dat geldt voor gelovigen die niet in de gelegenheid zijn om het lichaam en bloed van Christus te ontvangen en die verlangen om daarmee verenigd te zijn.

Dat is geen sacrament, maar “de zuiveren van hart, die vurig wensen dat hun het heilig Sacrament mocht worden gegeven, ook als dit niet mogelijk is, ontvangen de genade van het Sacrament naar de maat van hun verlangen en gesteltenis”.

Deze tekst van de Duitse mysticus Johannes Tauler toont aan dat er ook in deze moeilijke tijd kracht geput kan worden uit dit verlangen.

Maar we zijn niet de enigen die het een tijd zonder sacramenten hebben moeten doen. Er zijn talloze voorbeelden van katholieken die, door verschillende omstandigheden, niet ter communie konden gaan of geen Mis konden vieren.

Neem de Japanse Kerk, die het maar liefst tweehonderd jaar moest stellen zonder priesters, en dus ook zonder Mis en sacramenten. Nadat de heilige Franciscus Xaverius in 1549 de missie begon in Japan, groeide de Kerk gestaag.

Maar in 1644 stierf de laatst overgebleven priester in Japan de marteldood tijdens de hevige christenvervolging in het land.

Pas twee eeuwen later, in 1858, zette er weer een priester voet in Japan. De katholieken daar kenden de Eucharistie alleen maar uit de overgeleverde verhalen van hun overgrootouders. Ze maakten echter deel uit van een levende Kerk, met duizenden katholieken die in het geheim hun geloof beleden.

Volgens de Uruguayaanse priester Martin Lasarte hadden deze christelijke gemeenschappen weliswaar geen priester, maar wel catechisten en predikers. Lasarte nam onlangs als toehoorder deel aan de Amazonesynode, die onder meer ging over het priestertekort in die regio.

Volgens hem is het verbazingwekkend hoe de Japanse katholieken hun geloof behielden, tot ze weer toegang tot de sacramenten kregen.

Zelf maakte hij ook zoiets mee. Toen hij als missionaris in 2002 werd uitgezonden naar Angola, trof hij katholieke gemeenschappen aan die dertig jaar geen Mis hadden kunnen bijwonen in verband met de burgeroorlog.

Hoewel ze jarenlang geen priester hadden gezien, hadden zij standgehouden in het geloof. Lasarte trof er een “levende Kerk” aan.

Geen toegang hebben tot de sacramenten moet voor deze katholieken zeker een beproeving zijn geweest. Maar hun ervaring is ook reden tot hoop voor veel katholieken die daar nu naar hunkeren.

Naast leken zijn er ook priesters geweest die het een tijd zonder Eucharistie moesten stellen. Zo ook de Franse heilige Isaac Jogues (1606-1647). Hij werd als missionaris uitgezonden naar Noord-Amerika, waar hij gevangen genomen werd indianenstam.

Samen met een aantal andere gijzelaars, werd hij gemarteld, wat hem enkele vingers kostte.

Jougues kon tijdens zijn gevangenschap geen Mis vieren, maar toen hij wist te vluchten en terugkeerde naar Frankrijk, werd hij geconfronteerd met de toen geldende kerkelijke regels. Die stonden priesters niet toe om de Eucharistie te vieren wanneer ze een of meerdere vingers misten.

Na maandenlang geen Communie te hebben ontvangen en geen Mis gevierd te hebben, kreeg Jogues een speciale dispensatie. Na zijn terugkeer in Noord-Amerika, stierf hij de martelaarsdood. Zijn moordenaar kwam later tot inkeer en liet zich dopen met de naam Isaac Jogues.

Of neem de zalige Victoire Rasoamanarivo (1848-1894). Ze was een bekeerlinge en maakte deel uit van de Kerk in Madagascar, die het tussen 1883 en 1886 zonder priesters moest doen.

In 1883 werden alle buitenlandse missionarissen en priesters het land uitgezet. Katholieke scholen en kerken werden gesloten, katholieke bijeenkomsten verboden en gelovigen vervolgd.

Desondanks hield de katholieke gemeenschap ook zonder priesters en sacramenten stand. Rasoamanarivo droeg drie jaar lang zorg voor de 21.000 katholieken in Madagascar, onder meer door hen op zondag samen te brengen voor gebed.

Daarbij vroeg ze de mensen zich missionarissen voor te stellen die de Mis opdroegen en zich geestelijk te verenigen met alle Missen die over de hele wereld werden gevierd.

Drie jaar later verwelkomden de Mallagasische katholieken weer priesters. Hun dankbaarheid voor de Eucharistie was in die jaren alleen maar gegroeid – iets dat ook wij hopelijk snel mogen meemaken.