■ KN ■ Een prachtig staaltje gezond verstand van Liverpool-coach Jürgen Klopp vorige week. Toen een journalist hem een vraag stelde over het coronavirus, zei hij: “Wat me niet bevalt, is dat er wordt gedaan alsof de mening van een voetbaltrainer ertoe doet. Het is niet belangrijk wat beroemde mensen zeggen. Niet ik, maar mensen met verstand van zaken moeten hier iets over zeggen.”
Het is de vinger op een zeer pijnlijke plek in ons publieke discours: niemand wordt meer autoriteit toegedicht en ipso facto heeft iedereen evenveel autoriteit om overal iets van te vinden. Wetenschappers vertrouwen we niet meer, maar pop-, film- en sportidolen mogen in praatprogramma’s zonder kennis ter zake vrijuit leuteren over prangende kwesties.

Behalve dan wanneer ze iets zeggen dat de toets der vooruitstrevendheid niet doorstaat.

Waarom vinden we het zo belangrijk wat de voorzitter van een homobelangengroep over de vluchtelingenproblematiek vindt? Frits Huffnagel van Pride Amsterdam was er zelf ook een beetje beduusd van.

Zo buitenissig waren zijn uitspraken niet; hij had op Radio 1 desgevraagd alleen gezegd dat hij niet voor het toelaten van nog meer vluchtelingen was. Je kunt het daarmee eens zijn of oneens, maar waarom zou hij het niet mogen vinden? Waarom hem dan überhaupt naar zijn mening vragen?

Nog een teken van een verziekte debatcultuur: men neemt niet de moeite om Huffnagel met feiten en argumenten een weerwoord te geven. Nee, er wordt gelijk een hysterische hashtag in het leven geroepen (#NotMyPride) en onder grote druk moesten Huffnagel en de rest van het bestuur hun functie neerleggen.

Iedereen krijgt zomaar een microfoon onder de neus geschoven, maar zint het ons niet wat we horen, dan moet die persoon direct gemuilkorfd en buitengesloten worden. Om koude rillingen van te krijgen.

Zeker wanneer deze griezelige dynamiek ook de cultuur begint te verzieken van wat dé plaats moet zijn van vrije, geïnformeerde gedachtewisseling: het academische debat. Aan de universiteit van Oxford werd afgelopen weekend een feministische spreekster van het podium geweerd.

Zij had het gewaagd een wetswijziging te bekritiseren die het mogelijk maakt dat mensen zichzelf ook zonder medische onderbouwing naar eigen inzicht als ‘man’ of ‘vrouw’ kunnen identificeren.

Het kwam haar op het verwijt van ‘transfobie’ te staan, en daarmee automatische academische excommunicatie. Kort ervoor was het een conservatieve politica verboden te spreken in Oxford: haar komst zou ‘pijnlijk’ zijn voor ‘niet-binaire mensen’.

Dit fenomeen van no-platforming werd de universiteit zelf en de Britse onderwijsminister inmiddels ook te gortig, en zij kondigden maatregelen aan om het vrije woord te borgen. Maar of zij die geest nog terug in de fles krijgen? Wie geen enkele natuurlijke orde of autoriteit meer erkent, gaat uiteindelijk zeer autoritair een eigen scheppingsorde afdwingen.