De gregoriaanse muziek is de liturgische muziek die eigen is aan de Romeinse liturgie in de Rooms-Katholieke Kerk. De term gregoriaans wordt gebruikt om de kerkmuziek aan te duiden die sinds de 9e eeuw een vast onderdeel is van de Rooms-Katholieke kerkelijk liturgie.

De term gregoriaans is een verwijzing naar paus en kerkvader Gregorius I de Grote (r. 590-604) die ooit – zowel in de Middeleeuwen als in onze tijd – geacht werd een grote invloed gehad te hebben op het ordenen van de bestaande muziek in de kerkelijke liturgie of deze zelfs (deels) gecomponeerd te hebben. Hoewel hij mogelijk wel tijdens zijn pontificaat richtlijnen opgesteld heeft waaraan de liturgische muziek hoort te voldoen (zeker lijkt immers dat hij zich intensief bezig hield met de liturgie zelf), berust zijn rol als componist op een latere legende uit de 8e eeuw. Paus Gregorius wordt daarbij soms afgebeeld met een duif op zijn schouder – de Heilige Geest – die hem de gregoriaanse gezangen influistert, terwijl andere geestelijken op de achtergrond de melodieën noteren.

Vaak is aangenomen dat de liturgische zang in de vroege Kerk van de eerste eeuwen van onze jaartelling is ontstaan onder invloed van de joodse tempelmuziek in Jeruzalem of van de joodse synagogale zang; beide hypothesen worden echter niet meer aangehangen, de eerste niet vanwege een al te specifieke relatie tussen het zingen van de psalmen in de Tempel en de dagelijkse joodse offercultus (die door de christenen werd afgewezen), en de tweede niet omdat de synagoge in Nieuw-Testamentische tijden eerder een seculiere dan een religieuze ontmoetingsplaats was. Bepaalde religieuze gebruiken die thuis werden gepraktiseerd (het zingen van psalmen tijdens de joodse Paasmaaltijd) hebben mogelijk wel invloed gehad op de zang van de vroege Kerk.

Hoe de kerkelijke muziek ook precies ontstaan is, een verspreiding daarvan geschiedde in meerdere vormen over de kerken van Italië – inclusief uiteraard de stad Rome -, Zuid-Frankrijk, Noord-Afrika en Spanje. De eigenlijke ontwikkeling van de gregoriaanse muziek dateert van de 8e eeuw, tijdens de Karolingische periode. Zij ontstond door een vermenging van het Oud-Romeinse repertoire en de Gallicaanse zang of cantus Gallicanus. Chrodegang (712-766), de bisschop van Metz, speelde mogelijk een rol in de totstandkoming van deze synthese, met de steun van Pepijn de Korte. Zeker is dat de synthese tot stand is gekomen in de Karolingische periode.

De rol van Chrodegang verklaart wellicht waarom de gregoriaanse zang zoals gepraktiseerd in Metz aanvankelijk cantilena metensis (chant messin) werd genoemd. Van de 8e tot de 12e eeuw groeide Metz uit tot een van de belangrijkste muzikale scholen van Europa, samen met Sankt Gallen (Zwitserland), Reims en Chartres (Frankrijk).

Keizer Karel de Grote (r. 768-814) heeft eveneens een belangrijke rol gespeeld bij het verspreiden van de gregoriaanse muziek. Om de eenheid in zijn rijk te bevorderen is hij een groot voorstander geweest om allerlei zaken zowel op wereldlijk als op geestelijk terrein te standaardiseren. Hij heeft ervoor gezorgd dat het gregoriaans in zijn hele rijk door de geestelijkheid werd opgenomen in de mis. Tevoren bestonden er verschillende andere zangwijzen in West-Europa, waaronder – naast de al genoemde Gallicaanse zang en het Oud-Romeins – het Ambrosiaans, het Beneventaans en de Mozarabische zang.

Een oude variant op het gregoriaans vormt de zang volgens de Ambrosiaanse ritus die nog steeds in Milaan wordt gevierd. Ook het Ambrosiaans is vastgelegd in dezelfde muzieknotatie als het gregoriaans. Zowel in het gregoriaans als in het Ambrosiaans komt veel zang op melismen voor, waarbij lettergrepen niet één noot krijgen als in syllabische zang, maar versierd worden met hele trossen noten. Sequensen zouden zijn ontstaan uit bijzonder lange melismen waaronder een nieuwe tekst werd geplaatst.

Het Concilie van Trente (1545-1563) besloot tot een standaardisering van het gregoriaans, die resulteerde in de zogeheten Editio Medicea. Hierin was het gregoriaans nogal vereenvoudigd tot sterk bewerkt. In de praktijk werd die standaardisering maar beperkt doorgevoerd. Vanuit de Abdij van Solesmes en op persoonlijk initiatief van Dom Prosper Guéranger is sinds het midden van de negentiende eeuw gewerkt aan de herleving en restauratie van het gregoriaans, wat resulteerde in nieuwe muziekuitgaven en nog steeds voortgezet musicologisch onderzoek.

Het gregoriaans maakte in de 9e, 10e en 11e eeuw gebruik van een eigen notenschrift dat per land of landstreek verschilde; de daarbij gebruikte tekens worden neumen genoemd. Het huidige ‘gregoriaanse muziekschrift’ in de zogenaamde kwadraatnotatie is het gevolg van de evolutie van de neumentekens naar meer duidelijke toonhoogte-aanduiding aan de hand van “kopjes” aan de neumen. Nog later ontstond hieruit ook de zogenaamde mensurale notatie.

bron: Wikipedia