Ursula van Keulen († 383) was een koningsdochter uit de 4e eeuw die later heilig werd verklaard. Ze is patroonheilige van de leraressen en schoolkinderen. Ze wordt aangeroepen tegen oorlog en voor een goed huwelijk. Haar feestdag valt op 21 oktober.

Volgens de Legenda aurea was Ursula de beeldschone, wijze en vrome dochter van de christelijke koning Deontus van Bretagne. Haar reputatie was de koning van Engeland ter ore gekomen. Hij wilde haar hebben als vrouw voor zijn enige zoon Aetherius. Hij zond dus een ambassadeur naar Deontus om haar ten huwelijk te vragen voor zijn zoon en gaf hem de opdracht om met oorlog te dreigen als vriendelijkheid niet tot een resultaat leidde. Deontus was ten einde raad; hij wilde zijn dochter niet uithuwelijken aan de zoon van de machtige heidense koning die berucht was om zijn wreedheid. Maar Ursula raadde haar vader aan het aanzoek te accepteren op voorwaarde dat de koning haar tien zeer mooie maagden zou sturen, elk vergezeld door 1.000 andere maagden en daarbovenop nog duizend maagdelijke gezellinnen voor zichzelf. Ze moest ook voorzien worden van de nodige schepen om met het gezelschap op reis te gaan. Verder bedong ze een termijn van drie jaar voor een bedevaart naar Rome en om de jonge prins de gelegenheid te geven het christelijke geloof te bestuderen en zich te laten dopen.

De vloot vertrok en legde aan in Keulen. Een engel verscheen aan Ursula om haar mee te delen dat ze na haar reis naar Rome hier zou terugkomen en de martelaarskroon zou ontvangen, samen met al haar reisgenoten. Ze zeilden door naar Bazel en van daar ging het over land verder naar Rome. Daar werden ze verwelkomd door paus Cyriacus, volgens de schrijver de negentiende opvolger van Petrus, maar hij voegt eraan toe dat hij geschrapt werd uit de lijst van Pausen omdat hij beslist had zijn pontificaat op te geven en de maagden terug naar Keulen te vergezellen Ze vertrokken terug naar Keulen en nog een ganse pleiade van edelen en geestelijken sloot zich bij hen aan.

Toen ze aankwamen in Keulen werd de stad belegerd door de Hunnen, die het complete gezelschap vermoordden, alleen Ursula bleef gespaard omwille van haar grote schoonheid, op voorwaarde dat ze de bruid zou worden van hun aanvoerder Atilla. Ursula weigerde en werd door Atilla met een pijl doorboord. Aetherius, die ondertussen na de dood van zijn vader koning was geworden, had zich bekeerd tot het christendom. Door een goddelijke boodschap verwittigd, reisde ook hij naar Keulen om er zijn bruid te ontmoeten en stierf er samen met haar de martelaarsdood. Na de slachting werden de Hunnen verdreven door een hemels leger van Maagden, uiteraard samengesteld uit de maagden die de Hunnen net hadden gedood.

Ursula wordt afgebeeld als een jonge koningsdochter. Meestal heeft zij één of meerdere pijlen in haar handen of steekt een pijl in haar hals of in haar borst. Onder haar mantel schuilen vaak enkele jonge vrouwen. Soms wordt ze ook met een palmtak afgebeeld, een symbool voor haar marteldood. Andere zeldzame attributen zijn een boek, een scepter, een schip of een duif.

De heilige Ursula is de beschermheilige van de Britse Maagdeneilanden, van Keulen, van jonge meisjes, van de jeugd, schoolkinderen, leraressen en opvoedsters, en van de universiteiten van Keulen, Coimbra, Parijs en Wenen. Zij is tevens schildhouder in het wapen van de Belgische gemeente Lanaken. Zij wordt aangeroepen in oorlogstijd, voor een goed huwelijk en tegen kinderziekten. De thans protestantse Nieuwe Kerk in Delft was voor de Reformatie toegewijd aan de heilige Ursula van Keulen en stond ook bekend als Sint-Ursulakerk.

Clematius, een Romeins senator, bouwde in de vierde eeuw te Keulen een kerk – later tot basiliek verheven – ter ere van de maagden die daar als martelaressen gestorven zouden zijn. De stad Keulen heeft in haar stadswapen tot vandaag de dag naast de drie kronen, die staan voor de Driekoningen Caspar, Melchior en Balthasar, elf tranen als symbool voor de elfduizend maagden die met de stadspatrones Ursula vermoord werden.

Ursula werd later ook de patroonheilige van de orde van de ursulinen die zich naar haar noemden.

Wikipedia