■ Trouw ■ In het land waar ik woon, fiets ik langs een rij huizen waar ooit een kerk heeft gestaan. Ik vraag me af wat er in de bodem onder die huizen nog aanwezig is aan sporen van wat op die plek ooit aan geloof is geweest. Is dat te meten? Misschien kan ik met een apparaat de bodem doorboren, ­meter voor meter en zo wat korrelig materiaal naar boven halen. Dan leg ik het onder de microscoop en wellicht zie ik dan aan de samenstelling ervan of op deze plek God ooit is aangetroffen.

In het land waar ik woon, lijkt het christelijk religieus besef steeds verder weg te sijpelen en is de Bijbel tegenwoordig een ‘asso­ciatievraag’ bij televisiequiz de ‘Slimste Mens’ waar ‘woord van God’ vijftig seconden oplevert. In talkshows op tv weet de interviewer zich vaak geen raad met op het oog verstandige gasten die in iets als de Eeuwige Aanwezige geloven. “Geloof je dan echt in God?” en “Bid je wel eens?”, wordt er gevraagd. Als er dan bevestigend geantwoord wordt, hoor je: “Echt? Wat bijzonder.” Zo’n gesprek doet denken aan een interview met ­iemand die aan een zeldzame ziekte lijdt. “Heb je veel pijn? Is er nog kans op genezing? Hoe heeft je ­directe omgeving gereageerd?”

Ik heb altijd veel bewondering voor de gelovige die in een wereldse televisie-omgeving ondervraagd wordt. Hoe die probeert – tegen de stroom in – iets van dat mysterie dat geloven uiteindelijk is, over te brengen terwijl bijna iedereen in de studio daar niets van begrijpt. Geen antenne meer voor.

Eigenlijk is het onbegonnen werk.

In het land waar ik woon, lijkt het soms alsof mijn ouders er nooit hebben geleefd. Veel van wat voor hen van waarde was, lijkt verdwenen of weggestopt. Ik sta bij het graf van mijn vader en denk zijn stem te horen, maar het blijkt een man te zijn een tiental graven verderop. Zijn stem lijkt gewoon op die van mijn vader. Blijft over die grafsteen met zijn naam erop in iets te grote letters en dat weelderige perkje ervoor, met plantjes waar de konijnen zich aan te goed doen als het donker is en de begraafplaats zijn deuren al lang heeft ­gesloten. En toch hou ik hem zo een beetje bij me.

Dan denk ik aan de wereld waarin hij en mijn moeder opgroeiden, waarin God en kerk samen zo’n beetje de lucht vormden waarin je leefde. Praktisch iedereen ging op zondag naar de kerk, de protestantse of de rooms-katholieke. Het was zeker geen ideale wereld. Wie thuisbleef, werd met de vinger ­nagewezen. Nu krijg je dezelfde ­behandeling als je zegt regelmatig naar de kerk te gaan.

In het land waar ik woon, hebben we sinds een paar jaar een nieuw begrip. Het heet ‘voltooid ­leven’ en sinds ik erover hoorde, meen ik het met enige regelmaat op heterdaad te betrappen. Zo zag ik in de supermarkt een bejaarde man die tergend langzaam zijn boodschappen op de band zette bij de kassa. “Die is vast bijna klaar met het leven”, dacht ik.

Er is een Kamerlid van D66 dat ervoor wil zorgen dat er een wet komt voor ouderen die vinden dat hun leven voltooid is. Deze week meldde ze zich weer; ze lijkt haast te willen maken. Ze vindt dat mensen die levensmoe zijn, waardig moeten kunnen sterven. Ik zou van dat Kamerlid en haar partij iets meer begrip willen zien voor diegenen die er níet voor zijn om zelf te kunnen kiezen om hun leven uit te zetten, maar die het gewoon tot het einde willen uitzitten, hoe dat er ook uitziet. Mensen die erop vertrouwen dat Iets of Iemand hen erdoor heen trekt en uiteindelijk opvangt.

In het land waar ik woon is in een grote stad, dichtbij een station, een kerk waar ik me thuis voel. Zondag was ik er nog. Ik was niet alleen. Het koor zong hemels, er werd voorgelezen uit de Schrift en na afloop was er een samenzijn met koffie en thee in papieren bekers. Buiten begreep bijna niemand wat wij die anderhalf uur in die kerk aan het doen waren. Dat gaf niks.

Binnen was het de normaalste zaak van de wereld.