■ ND ■ Theo van Osch was jarenlang pastoor in het Brabantse Uden. Maar een ‘tweede roeping’ gooide alle zekerheden omver. Hij leeft nu als kluizenaar en zoekt de eenzaamheid in een klein dorp in Zuid-Frankrijk. ‘Ik hoorde Jezus: Kom, herbouw mijn huis.’

‘Père Théo’, zoals de voormalige Brabantse pastoor hier wordt genoemd, loopt dagelijks in zijn kluizenaarshabijt van Montbrun-des-Corbières met zijn 300 inwoners naar beneden, naar de kapel in de velden. Deze kapel, Notre-Dame de Colombier, stamt uit de elfde en twaalfde eeuw en gooide het hele leven van Theo van Osch door elkaar, nadat hij 28 jaar als priester in Brabant had gewerkt. ‘Ik ben hier zo gelukkig’, zegt hij nu, glimlachend.

Hij was voorheen al meermaals op vakantie in het dorp geweest. En hij had ook al een stichting opgericht om geld te verzamelen voor de renovatie van de vervallen kapel.

Maar drie jaar geleden gebeurde er iets. ‘Ik stond ik tijdens mijn nachtelijke gesprekken met Jezus vanaf een balkon in een vakantiehuis in het donker naar beneden te turen’, vertelt Van Osch. ‘Er ging een aantrekkingskracht uit van de kapel. En ik hoorde een stem: “Kom!”. En ook: “Herbouw mijn huis”.’

De pastoor raakte in ‘een soort innerlijke verscheurdheid’, zoals hij het zelf noemt. ‘Ik was niet meer te genieten’, zegt hij erover, terugkijkend naar die tijd. ‘Ik kon niet zomaar weg uit Uden. Maar deze kapel was een plek waar ik verliefd op kon worden.’

Van Osch noemt het zijn ‘tweede roeping’, en ziet duidelijke parallellen heeft met zijn eerste roeping tot het priesterschap. Die kreeg hij als 21-jarige in Lourdes. Hij werkte in een Brabantse bar, reisde van het geld dat hij verdiende door Europa en deed ook Lourdes aan. ‘Ook die eerste roeping ging van het ene moment op het andere: ik had er nooit over nagedacht om priester te worden. Tijdens een bezoek aan de grot in het heiligdom van Maria, terwijl ik God bijna ter verantwoording riep voor het feit dat het zo oneerlijk verdeeld is in de wereld, ging mijn hart open. “Ik wil dat je priester wordt”, hoorde ik. Een stem die echt van buiten kwam. En ik weet nog dat ik om me heen keek en dacht: “Dat hebben jullie ook allemaal gehoord, hè?”. Zo’n ervaring was het’.

Maar er was ook direct ontreddering. ‘Ik wist met mezelf geen raad en liep ervoor weg’, vertelt hij in zijn stoel in het huisje dat zijn kluis is geworden.

‘Hier bij de kapel wist ik er ook geen raad mee: ik wil hier blijven, maar je bent pastoor en deken. Je hebt een parochie en parochianen. Dus ben ik op weg gegaan om dit verlangen te onderzoeken. Is het een idee van mezelf? Of de verleiding van de duivel? Een fantasie of een vlucht? Het kan van alles zijn. Dus moet je heel goed gaan onderscheiden wat de bron is, waar het vandaan komt.’

De verwarde pastoor klopte bij meerdere mensen aan die hem hielpen bij het onderscheiden: de Groningse kluizenaar pater Hugo in Warfhuizen, Dom Bernardus, de abt van de trappistenabdij van Koningshoeven, Franse monniken en slotzusters die hij in de door hem geliefde abdij van Pradines bij Lyon tegenkwam.

‘Ik dacht dat een kluizenaar in een grot, een bos of in de woestijn woonde. Maar bij Hugo zag ik dat dat niet per se hoeft.’ Het idee van kluizenaarschap vond zo steeds meer zijn weg.

Dom Bernardus stelde hem voor om ‘het gewoon uit te proberen’. ‘Maar dan niet in de zomer als alles mooi en warm is, maar in de winter.’ Van Osch kijkt grimmig. ‘Het was heel zwaar’, vertelt hij over de vijf barre weken. ‘Ik liep dagelijks rond half zes naar de kapel. Het was guur en koud en de wind waaide overal doorheen. De ramen waren overal kapot en er waren gaten in het dak. Ik zat daar te verkleumen, in de kapel zonder elektriciteit. Ik stak elke ochtend tussen de 50 en 60 kaarsjes aan. Maar ondanks dat het heel zwaar was, wilde ik niet anders meer.’

Van Osch overlegde met zijn bisschop, Gerard de Korte van Den Bosch. ‘Die zei: “Ik hou je natuurlijk het liefst hier als pastoor, maar ik heb niets aan een ongelukkige priester. Ik moet ook naar jouw persoonlijk geluk en welzijn luisteren en naar de stem van de Heer”.’

Tussen het afscheid van Uden en zijn definitieve intrek in Montbrun-des-Corbières, leefde Van Osch negen maanden in de abdij van Pradines om zich het monastieke leven en de liturgie eigen te maken.

Na die periode kreeg hij plotseling het aanbod om een klein huisje in het dorp te kopen. ‘Het was van een Nederlands echtpaar dat er maar drie weken per jaar was. Het was kluiswaardig en belachelijk goedkoop, maar ik had het geld niet’. Toch woont hij nu in zijn pittoreske rijtjeskluis in het dorp. ‘Met de hulp van drie van mijn broers heb ik het gekocht en ik betaal hen iedere maand een bedrag terug: er woont niemand zo goedkoop als ik’, glimlacht de innemende kluizenaar. Dankzij een gift van een Belgische vrouwenklooster heeft Van Osch onder meer een keuken kunnen plaatsen. ‘Ik bak hier mijn eigen brood: heerlijk!’, glimlacht hij.

Van Osch droomt ervan om naast de kapel in de velden ooit een kluis te kunnen bouwen.

In de buurt heeft hij een biechtvader gevonden (‘een kluizenaar die hier een half uur vandaan woont’). Een ervaren kluizenaar die jarenlang in eenzaamheid leefde maar wegens ziekte weer in zijn kloostergemeenschap woont, kijkt vaderlijk over de schouder van Père Théo mee.

Zijn hele leven is nu gewijd aan het gebed. ‘Constant bidden: ik dacht eerst dat ik dat nooit zou kunnen. Maar ik begin er steeds meer in te groeien. Tussen de zeven officiële gebedstijden door ben ik steeds meer in gesprek met de Heer. Als ik aan het koken of aan het poetsen ben.’

In het begin voelde Van Osch zich schuldig dat hij zijn bisdom en parochianen achter liet. ‘Je laat je kudde in de steek: dat was heel moeilijk. Ik voelde me erg thuis in de parochie en had met veel mensen een band opgebouwd. Maar in de eenzaamheid van je gebed sta je in het centrum van de kerk én het dichtst bij de mensen’, zegt Van Osch, een tekst van een medekluizenaar citerend. ‘Zo heb ik het ook ervaren. Bijvoorbeeld in die proefperiode van vijf weken. Toen ik al die kaarsjes moest aansteken om licht te maken, dacht ik bij ieder kaarsje aan concrete mensen. En nu nog steeds: als ik bid, denk ik heel veel aan mensen.’

Over de toekomst van het christendom in Europa is Van Osch niet pessimistisch. Maar ‘we moeten eerst nog wel verder wegzakken, verder afsterven, voordat er nieuw leven en herrijzenis komt’, vermoedt hij voorspellend. ‘De kerk zoals zij nu bestaat, is over een paar generaties helemaal voorbij. We houden nog steeds allemaal ballen in de lucht. Maar er is al iets nieuws begonnen, het is al aan de gang. We zien het alleen nog niet, het is nog klein en verborgen.’

Volgens de kluizenaar staat de kerk ‘op een keerpunt in de geschiedenis’. ‘De kerk is zich aan het uitzuiveren. Of beter: ze wordt uitgezuiverd door God. Dat is heel duidelijk bezig, en daar is de paus ook mee bezig. Maar wij moeten daar zelf ook aan werken door de genade van de Heilige Geest. Door onszelf te laten zuiveren door zijn vergeving en barmhartigheid’.