■ Stijn Fens/Trouw ■ We waren een paar dagen in het oosten van ons land en wilden op zondag naar een kerk waar een mis werd opgedragen. Dat viel nog niet mee.

Nog niet eens zo heel lang geleden was katholiek zijn heel gewoon. Midden in een dorp stond een kerk. De pastoor kende je van gezicht. Elke zaterdag en zondag droeg hij de mis op in jouw kerk. Daar kon je van op aan. Soms kwam je de pastoor ook tegen in de supermarkt. Zag je hem tomaten wegen of wasmiddel kopen.

Nu kom je een pastoor nog maar zelden tegen ‘in het wild’ en moet je maar afwachten in welke kerk hij op zondag zijn gezicht laat zien. Tegenwoordig heet hij ‘teamleider’ en staat hij aan het hoofd van een parochie met meerdere ‘clusters’ die op hun beurt weer uiteenvallen in verschillende ‘geloofsgemeenschappen’. Begrippen als barmhartigheid en nabijheid zijn opgelost in afstandelijke bestuurlijke terminologie, waarvan ‘eucharistisch centrum’ toch wel het hoogtepunt, of moet ik zeggen: het dieptepunt is.

“Zeg, ik ga nog even een kaarsje opsteken.”
“Waar? In de Sint-Jozefkerk?”
“Nee, in het eucharistisch centrum.”

Wij bevonden ons deze zondag in een parochie die genoemd was naar de twaalf apostelen en die uit drie clusters en veertien (!) geloofsgemeenschappen bestond. Dus surfte ik op internet naar de site van de ‘Twaalf apostelen’ om te zien waar de dichtstbijzijnde mis was. Je lost een sudoku in minder tijd op, maar uiteindelijk ontdekte ik dat we in een dorpje op een kwartier rijden moesten zijn.

Toen mijn vriendin en ik bij de bewuste kerk aankwamen, luidde de klok en liepen er mensen de kerk in. Godzijdank, ik had me dus niet vergist. Druk was het er niet. Ik schatte dat er zo’n dertig, meest oudere, mensen in de kerkbanken zaten.

Ik herkende de dienstdoende priester: het was de pastoor. Hij droeg een mooi groen kazuifel, een woord dat inmiddels ook bezig is weg te zakken in het collectief geheugen van onze taal. Voor de rest was het eenvoudigweg mooi. Goede preek ook, lekker kort. Voor ik er erg in had, waren we al bij de mededelingen; na de eucharistie voor mij het onbetwiste hoogtepunt van een katholieke viering. Er zouden die week twee uitvaarten zijn van parochianen en op donderdag was er in het parochiehuis ‘koffie, tevens tabletondersteuning’.

Na afloop schoof de pastoor naast mij aan de koffietafel aan. “We waren vandaag met 39”, zei hij. Terwijl wij in gebed verzonken waren geweest, had hij onze hoofden geteld. Vervolgens raakte ik in gesprek met een ‘allesdoener’, zoals elke parochie er een heeft. Hij schreef onder meer de voorbeden, verzorgde de mededelingen en was ook van de tabletondersteuning.

“Vindt u het gek dat hier zoveel oudere mensen in de kerk zitten? Jonge gezinnen trekken vaak weg uit deze omgeving, die hebben hier niet zoveel te zoeken. Dus zie je ze ook weinig in de kerk.” De pastoor zag het allemaal niet zo somber in. “Ik heb goede hoop dat het hier allemaal doorgaat”, zei hij.

Diezelfde middag gingen we nog naar een klassiek concert in een nabijgelegen kasteel. Een vorm van wereldse liturgie, zal ik maar zeggen. Er werden werken uitgevoerd van Purcell, Schubert en een aantal andere muziekheiligen. Ook hier vooral oudere mensen, maar talrijker dan in de kerk. Het geheel werd ingeleid door een man die duidelijk kennis van zaken had en een choker droeg, tegenwoordig net zo’n exotisch kledingstuk als een kazuifel. Nu dacht ik alweer: hoelang gaat dit nog door?

Zitten de klassieke muziek en de rooms-katholieke kerk in zekere zin niet in hetzelfde schuitje? Allebei trekken ze vooral ouder publiek en worstelen ze met hetzelfde dilemma: meegaan met de tijd of vasthouden aan wat eeuwenlang geloofd en geliefd was? Beide bieden ze ons troost en soms zicht op een andere werkelijkheid dan die waar we nu eenmaal mee zijn opgezadeld. Ze horen bij elkaar, maar zijn niet inwisselbaar.

Misschien moeten ze hun krachten bundelen, zoals vroeger gebruikelijk was. Te beginnen in Amsterdam. Een keten van clusters in de stad. Met het Concertgebouw als eucharistisch centrum.