De notennamen waar we sinds eeuwen mee werken, worden toegeschreven aanGuido van Arezzo uit de 11de eeuw. De benedictijnse monnik wilde daarmee zangers helpen om de toonhoogten in Gregoriaanse gezangen aan te leren en te onthouden. Veel minder bekend is waar Guido van Arezzo die notennamen haalde.

Hij baseerde zich daarvoor op een Latijnse hymne uit de 8ste eeuw, Ut queant laxis, toegewijd aan Johannes de Doper. Schrijver van die hymne was een andere benedictijnse monnik, Paulus Diaconus. Elke regel van dat lied begint een hele toon hoger (behalve uiteraard van mi naar fa). Guido van Arezzo nam van elke regel de eerste twee letters, voor een toonladder die toen nog maar zes noten telde:

Ut queant laxīs
resonāre fībrīs
Mīra gestōrum
famulī tuōrum,
Solve pollūtī
labiī reātum,
Sancte Iōhannēs.

Het moeilijk te zingen ‘ut’ werd later vervangen door ‘do’ – afkorting van ‘dominus’ en toevallig of niet ook het begin van de naam van de musicoloog die de verandering voorstelde: Giovanni Doni. Intussen was met de si (Sancte Iohannes) de huidige diatonische toonladder vervolledigd. Do-re-mi? We danken het dus aan een monnik uit de 8ste eeuw.

KerkNet