De herhaalde bevestigingen van het Nieuwe Testament dat Jezus is opgewekt uit de doden” (1 Kor. 15, 20) 1 2 , veronderstellen dat Hij voorafgaand aan de verrijzenis in het verblijf van de doden vertoefd heeft. Dat is de eerste betekenis die de prediking van de apostelen gegeven heeft aan Jezus’ nederdaling ter helle. Jezus heeft, evenals alle mensen, de dood gekend. Hij heeft zich met zijn ziel bij hen gevoegd in het dodenrijk. Maar Hij is er nedergedaald als Verlosser, de Blijde Boodschap verkondigend aan de geesten die er waren gekerkerd.

De nederdaling ter helle is de volledige vervulling van de evangelische aankondiging van het heil. Zij is de allerlaatste fase van de Messiaanse zending van Jezus. Deze fase is zeer beperkt in de tijd, maar strekt zich ontzettend ver uit wat haar werkelijke betekenis betreft. Zij leert dat het verlossingswerk zich uitbreidt tot alle mensen van alle tijden en van alle plaatsen, want allen die zijn gered, hebben immers deel gekregen aan de verlossing.

Christus is dus neergedaald in de diepte van de dood, opdat “de doden de stem van Gods Zoon zullen horen en die haar horen, zullen leven” (Joh. 5, 25). Jezus, “de leidsman ten leven” heeft “door zijn dood de vorst van de dood, de duivel, onttroond en hen die door de vrees voor de dood heel hun leven aan onvrijheid onderworpen waren, bevrijd” (Heb. 2, 14-15). Voortaan heeft de verrezen Christus “de sleutels van de dood en het dodenrijk” (Openb. 1, 18) en “buigt bij de naam van Jezus zich iedere knie in de hemel, op aarde en onder de aarde” (Fil. 2, 10).

RKDocumenten