■ Henk-Jan Prosman in TPO ■ In reactie op de Nashville-verklaring, verschenen in de media tal van predikanten en theologen die geruststellende woorden spraken over het kerkelijk spreken over homoseksualiteit. ‘Maakt u zich geen zorgen: het christendom heeft een heel positieve waardering van homoseksualiteit en de afwijzing van homoseksualiteit is de uitzondering die je alleen nog in bepaalde kringen tegenkomt’. In deze bijdrage geef ik mijn visie op de recente ontwikkelingen in het Nederlandse protestantisme (vooral in de Protestantse Kerk in Nederland) en zal ik enkele veelgehoorde bezwaren tegen de Nashville-verklaring kritiseren. Mijn stelling is dat niet de ondertekenaars van het Nashville-manifest zijn geradicaliseerd, maar de liberale protestanten.

‘Bij het ontstaan van de Protestantse Kerk in Nederland in 2004 had de kerkleiding er een kerkscheuring voor over om het homohuwelijk in te kunnen voeren. Toen er eenmaal zo’n 50.000 gelovigen vertrokken waren vanwege deze kwestie begon een proces van implementatie. Met name in het zogenaamde dienstboek (een verzameling teksten en gebeden voor kerkelijke plechtigheden) werd een zeer vrije en soms zelfs lachwekkende uitwerking gegeven voor de kerkelijke praktijk. Stilaan werd de definitie van het huwelijk verruimd tot een “verbond van liefde en trouw tussen twee mensen” (voordien werd altijd verwezen naar bijbelteksten over de complementariteit van man en vrouw en naar het stichten van een gezin met kinderen). De nog altijd aanzienlijke groep orthodoxen had steeds genoegen genomen met een minimaal semantisch onderscheid tussen het zegenen van een homohuwelijk en het inzegenen van een traditioneel huwelijk. Maar zelfs met dit compromis konden de liberalen, die zich verenigd hadden in de groep ‘Op goed gerucht’, niet leven en zij dwongen een debat af. Het kerkbestuur wist door een ‘inlegvelletje’ te voorkomen dat het conflict opnieuw zou escaleren.

Naar mijn inschatting hebben sinds 2004 de orthodoxen zich inschikkelijk opgesteld en hebben ze zich alleen intern bezig gehouden met deze vragen. Het waren de liberalen die de confrontatie zochten. Het kerkbestuur voerde een beleid van ‘kicking the can down the road’, terwijl de onduidelijkheid en het ongenoegen over deze kwestie groeide.

Mijn eerste punt van kritiek op de vele predikanten en theologen die de afgelopen dagen van zich lieten horen, is dat zij steeds benadrukken dat in het protestantisme de afwijzing van homoseksualiteit de uitzondering is. Dit is niet waar. In de hoofdstroom van de protestantse theologie is de traditionele leer van het huwelijk altijd dominant geweest en is dat feitelijk nog steeds.

Stefan Paas (theoloog aan de VU) zei bijvoorbeeld in NRC Handelsblad dat de Nashville-verklaring een uiting is van slechte theologie. Nu heeft hij daar in zoverre gelijk in dat er in protestants Nederland vrijwel uitsluitend slechte theologie wordt geproduceerd. Maar een gezaghebbend theoloog als de Duitser Wolfhart Pannenberg (1928 – 2014) liet zich nog in 1994 in Nashville-achtige termen uit over de christelijke visie op homoseksualiteit:

“Wie de kerk ertoe dwingt, om haar leer in deze kwestie te veranderen, moet weten dat die persoon de scheiding in de kerk teweegbrengt. Een kerk, immers, die zich ertoe laat overhalen de homoseksuele praxis niet langer als een afwijking van de bijbelse norm te zien en homoseksuele relaties als een liefdesrelatie naast het huwelijk te zien, is niet meer op de Bijbel gefundeerd, maar weerspreekt juist het eenduidige getuigenis ervan. Een kerk die deze stap zet, is opgehouden Protestantse kerk te zijn in de traditie van de Lutherse reformatie.”

Let wel: dit is geen refo-theologie, maar een uitspraak van een geleerde van formaat die door theologen van alle gezindten bestudeerd wordt. Ook Karl Barth, de kerkvader van de 20e eeuw, wees de homoseksuele praktijk af en hetzelfde geldt voor ds. Martin Luther King, die nu vaak als icoon functioneert voor allerlei emancipatie-bewegingen.

Een tweede kritiekpunt wordt gemaakt door de theoloog Peter Ben Smit. Hij schreef dat het Nashville-document van een zeer slechte omgang met de Bijbel getuigde. Een obligaat verwijt dat ook niet gepaard gaat met een alternatieve theologische visie. Opnieuw is het een poging de orthodoxe visie als achterhaald neer te zetten. Maar er zijn tal van gezaghebbende theologen die grondig en academisch redeneren en toch de orthodoxe positie verdedigen. De anglicaanse bijbelwetenschaper N. T. Wright bijvoorbeeld komt tot een goed doordachte afwijzing van het homohuwelijk. Ik denk dat Smit zich in confrontatie met deze theoloog wel wat minder hautain zou uitdrukken.

Dat de traditionele opvatting over homoseksualiteit en huwelijk beslist geen marginale positie is, wordt helemaal duidelijk als we kijken naar het wereldchristendom. De scheidslijnen lopen hier ongeveer hetzelfde als bij andere modieuze en utopische ideologieën zoals multiculturalisme en gendertheorie. Die representeren vooral de mindset van een academische bovenlaag in Westerse – vanouds protestantse – liberale democratieën. In de hoofdstroom van het katholieke christendom en de oosterse orthodoxie is de theologische legitimering van homoseksualiteit helemaal geen thema. In 2003 heeft de congregatie voor de geloofsleer van de katholieke kerk nog ondubbelzinnig verklaard:

“Er is geen enkele reden om overeenkomsten vast te stellen tussen homoseksuele levensgemeenschappen en het plan van God met huwelijk en familie, ook niet op een meer algemene wijze. Het huwelijk is heilig, terwijl een homoseksuele relatie tegen de natuurlijke morele wet ingaat. Want bij homoseksuele handelingen wordt de gave van het leven afgesloten. Ze komen niet voort uit een ware affectieve en seksuele complementariteit. Daarom kunnen ze in geen geval goedgekeurd worden. Homoseksuele relaties worden in de Heilige Schrift als zware verdorvenheden veroordeeld.”

In Amoris Laetitia (2016), het pauselijk schrijven over huwelijk en gezin, wordt deze opvatting bevestigd. Juist paus Franciscus wordt doorgaans door protestanten gewaardeerd vanwege zijn liberale koers. Je zou toch verwachten dat de liberale protestanten geen gelegenheid voorbij zouden laten gaan om de rooms-katholieken te wijzen op hun volstrekt marginale positie, hun radicalisme en buitengewoon ondoordachte lezing van de Bijbel. Zelfs het zo beschimpte gebrek aan empathie van de Nashville verklaring, valt in het niet bij dergelijke katholieke leeruitspraken. Maar je ziet zelden demonstranten met regenboogvlaggen voor het bisschoppelijk paleis in Utrecht.

Als onvermijdelijke disclaimer, wil ik hier nog benadrukken dat ik het met bepaalde onderdelen van de Nashville-verklaring niet eens ben. Ik heb deze ook niet getekend. Het beeld echter, dat welhaast door elke predikant en theoloog wordt opgeroepen, dat de Nashville-verklaring een marginale, radicale positie zou weergeven, die bovendien op slechte theologie en bijbelinterpretatie zou berusten, is niet juist. Vrijwel alle bezwaren tegen de traditionele leer op dit gebied kunnen worden weerlegd door te benadrukken dat er een verschil is tussen kerkelijk leerstellingen en de pastorale uitwerking.Een laatste punt dat ik naar voren wil brengen is de uitspraak van de PKN-scriba René de Reuver in het televisieprogramma Nieuwsuur. Daar zei hij dat het probleem van de opstellers en ondertekenaars van de Nashville-verklaring vooral is dat ze de Bijbel zo letterlijk lezen. Hun opvattingen zijn “gesloten” en “niet-communicabel”. Je kunt pas theologisch spreken, aldus De Reuver, als de Bijbel in “in gesprek is met de cultuur en samenleving.” In onze postmoderne tijd heeft de gedachte dat een vrije interpretatie van de Bijbel ook tot meer emancipatorische resultaten leidt, een zekere evidentie. Toch is deze gedachtegang problematisch. Het is bijvoorbeeld opvallend dat in de jaren 30 en 40 van de vorige eeuw vooral het protestantisme in Duitsland bevattelijk was voor de nazi-ideologie. Een hele generatie liberale theologen, die ook na de oorlog zeer invloedrijk bleef in de protestantse bijbelwetenschap, ging aan het werk om met kritisch wetenschappelijke methoden de Bijbel te ‘Entjuden‘ en zo de Bijbel in rapport te brengen met de tijd. De katholieken – die op andere punten weer de mist ingingen – wisten juist door het gezag van schrift en traditie veel beter weerstand te bieden aan de nazificatie van het christendom. Ook het verwijt dat een strikte uitleg van de Bijbel wel tot onverdraagzaamheid en discriminatie moet leiden, snijdt dus geen hout.

Gerard Reve heeft eens gezegd: “Alles wat de paus zegt is waar, maar het is niet de bedoeling dat iemand zich er ook maar iets van aantrekt.” Iets van deze ironie en dit relativeringsvermogen mis ik in het huidige debat. En waarschijnlijk is dit een van de belangrijkste oorzaken dat het Nederlandse protestantisme de laatste jaren razendsnel – in liberale zin – aan het radicaliseren is.