■ KerkNet ■ Wanneer is een kerk leeg? Wanneer is ze vol? En hoe mogen die gebouwen zijn wat hun bestemming is?

Je kunt in een mum van tijd bij een groep mensen op bijvoorbeeld een nieuwjaarsreceptie een heftige discussie uitlokken als je opwerpt dat er iets moet gebeuren met een of ander kerkgebouw dat grotendeels leeg staat. Soms lijkt het erop dat juist mensen die niet in de kerk komen, het meeste waarde hechten aan het openhouden van kerken. Maar er zijn ook parochianen die zich met onvermoed vuur schrap zetten om de sluiting van ‘hun’ kerk te beletten.

Meer ook dan de kunstschatten, echte en vermeende, die ze herbergen. Het zijn voor veel mensen plekken van herinnering aan onvergetelijke momenten: doopsels, communievieringen, huwelijken en begrafenissen. Of gewoon de vertrouwdheid van een stadsgezicht. Of de mogelijkheid dat je er kunt binnengaan, zomaar, om even tot rust te komen (al neemt die mogelijkheid overal af).

Het bevreemdt mij als ik zie hoe een kerk een hotel of een restaurant is geworden, een markthal of een boekhandel. Al ervaar ik dan meestal ook dat zo’n plek juist door de bijzondere architectuur een ontmoetingsruimte kan worden in een heel andere vorm.

In onze stadsbuurt zijn er weinig plekken waar mensen op een informele en niet-commerciële manier kunnen samenkomen. En ons klimaat leent er zich grote stukken van het jaar niet toe om langere tijd buiten te gaan zitten.

Die gebouwen zijn helaas steeds minder vaak open om heel begrijpelijke redenen: als er geen toezicht is, kan één mens met slechte bedoelingen veel moois bederven voor honderden anderen.

Maar stel je voor dat we in sommige kerken achteraan een koffie- en theehoek zouden maken, opengehouden door vrijwilligers uit de buurt, met drankjes aan democratische prijzen en wat afgedankte zetels en stoelen. Een ruimte waar kleine kinderen ook als het regent eens voluit kunnen rennen.

En de vieringen zouden op de gewone momenten net zoals anders kunnen doorgaan.

Andere kerken kunnen stilteplekken worden of nog iets helemaal anders. We hebben nooit genoeg publieke ruimte, nu we met zovelen samenwonen op zo’n kleine plek. Hoe meer we met elkaar in gesprek kunnen treden, hoe beter. Wie weet wat we dan in elkaar en in de kerk nog kunnen ontdekken.

En dan denk ik weer aan die gouden uitspraak van Gustav Mahler: ‘Traditie is niet het vereren van as, maar het doorgeven van vuur.’