■ RD ■ Een Vlaming spreekt niet over godsdienst, ook al is hij kerkelijk. De kerkelijkheid in België neemt sowieso af, leert een nieuw rapport. Anno 2018 heeft de kerk veel functies verloren. Maar, zegt prof. dr. Wim Vandewiele, zij blíjft van betekenis voor de maatschappij.

Op een grijze maandagmiddag in december is er genoeg ruimte om te parkeren langs de Diestsestraat in Scherpenheuvel. Het Vlaamse dorp is wel wat verkeersdrukte gewend, zo doen de borden langs de hoofdweg vermoeden. En dat is niet zo vreemd, aangezien er 800.000 bedevaartsgangers per jaar komen.

Driemaal daags, zeven dagen per week, wordt er een mis gehouden in de basiliek van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel. Wie het dorp nadert op de N10 vanuit Aarschot, ziet de contouren van het ronde kerkgebouw bij helder weer al van enkele kilometers afstand.

Anders dan het aantal voertuigen op de parkeerplaats doet vermoeden, zit de kerk vol met bezoekers. ”Welkom bij Maria” staat in grote witte letters op een lichtblauwe balk boven de ingang geschreven. Door de glazen deuren is te zien hoe de priester de kelk met wijn omhoog houdt. In twee gebouwtjes voor de basiliek branden tientallen kaarsen. Er staat een straffe wind, die er telkens net niet in slaagt om de vlammen te doven.

De mis van drie uur ’s middags is de laatste van de dag. Om acht en elf uur was er ook al een dienst. Al eeuwenlang komen bedevaartgangers in Scherpenheuvel samen, omdat in de buurt van dit dorp in de middeleeuwen Maria zou zijn verschenen aan een herder. Jaarlijks arriveren er ruim 800.000 bedevaarders. Dat levert werk op voor dertien werknemers en tachtig vrijwilligers.

Op een halfuurtje rijden van Scherpenheuvel werkt prof. dr. Wim Vandewiele, de man die meewerkte aan het onderzoek naar het kerkelijk leven in België. De socioloog en cultureel antropoloog houdt kantoor in de kolossale Maurits Sabbebibliotheek in Leuven, die zich presenteert als een van de grootste theologische bibliotheken ter wereld. Als docent aan de Katholieke Universiteit (KU) Leuven heeft prof. Vandewiele een ”studiecel” van een paar vierkante meter tot zijn beschikking.

Prof. Vandewiele (39), zelf lid van een rooms-katholieke parochie in het bisdom Brugge, kent verschillende aspecten van het religieuze leven van binnenuit. Voor zijn promotie in 2014 verbleef hij een jaar lang in de trappistenabdij van Sint-Sixtus in Westvleteren, nabij Ieper. De Belgische bisschoppenconferentie vroeg hem om mee te werken aan een jaarrapport (zie ”Religie in België”). Het boekje verscheen eind november, in het Nederlands en in het Frans. „Het rapport bevat geen inhoudsopgave. Het is de bedoeling dat de lezer direct gaat bladeren”, aldus de docent.

In het rapport staan cijfers en gegevens over uiteenlopende werkvelden binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Zo leert de lezer onder meer dat er in België 3846 parochies zijn. In 2016 werden ruim 50.000 kinderen in de RKK gedoopt, 41.000 ontvingen het vormsel en 7859 maal werd er een kerkelijk huwelijk gesloten. Hoe hoog het salaris is dat de federale overheid betaalt aan ”bedienaars van de eredienst”? Ook op die vraag geeft het rapport een antwoord: 1833 euro bruto per maand.

Het is voor het eerst dat zoveel cijfermatige informatie over de Belgische RKK gebundeld wordt gepresenteerd. „We willen aantonen wat de maatschappelijke meerwaarde van de kerk is”, licht prof. Vandewiele toe. „In de afgelopen zeventig jaar kreeg de kerk te maken met functieverlies, maar ze heeft zeker nog betekenis voor de samenleving.”

In dat opzicht is prof. Vandewiele het eens met de Duitse filosoof en socioloog Jürgen Habermas. „De huidige samenleving in West-Europa is postseculier. Dat wil zeggen: er heeft secularisatie plaatsgevonden, maar religie is niet achter de voordeur verdwenen. Dat geeft seculiere overheidsinstanties en geloofsgemeenschappen een wederzijdse verantwoordelijkheid. De overheid moet in gesprek gaan met de geloofsgemeenschappen, terwijl die gemeenschappen moeten leren omgaan met het gegeven dat er seculiere instanties zijn.”

Voor de RKK, maar ook voor protestantse kerken, is communicatie daarom van groot belang, aldus prof. Vandewiele. „Dan moet je beginnen bij je eigen identiteit. Wie ben je en waar sta je voor? Ik denk dat veel Vlamingen niet weten waar ze voor staan. Zij praten ook niet zo gemakkelijk over religie. „Daar moe ge nie over klappen”, zeggen ze dan.”

Er zijn reeds steekproeven gedaan en peilingen gehouden om het aantal christenen in België in te schatten. Van de uitkomsten daarvan maakt prof. Vandewiele gebruik, al erkent hij dat op die werkwijze veel af te dingen valt (zie kader ”Religie in België”). Dat de kerk nu zelf een onderzoek heeft laten uitvoeren, is nieuw.

De resultaten van het onderzoek bleven niet onopgemerkt. „Vroeger werd nieuws uit de RKK in België gezien als staatsnieuws. Die tijd ligt achter ons. De kerk heeft nu zelf de verantwoordelijkheid om in de samenleving aanwezig te zijn. Dit rapport is door verschillende media in België en Nederland opgepakt. De Vlaamse krant De Morgen wijdde er een hele pagina aan, met mooie graphics op basis van onze cijfers. Die krant staat vanouds bekend als vrijzinnig en socialistisch. Als zij onze cijfers op deze manier presenteren, kun je toch wel zeggen dat de missie geslaagd is.”

Het aantal kerkgangers in België daalt al jaren. Al lijkt er, zeker in relatie tot de leeftijdsopbouw van de bevolking, ook sprake te zijn van enige stabilisatie. Prof. Vandewiele verwacht dat de verschillende Belgische kerken mede vanwege de vergrijzing in de periode tot 2040 met kleinere ledenaantallen te maken krijgen.

Toch is de docent naar eigen zeggen hoopvol gestemd. „De kerk krijgt nu wel de kans om het onderscheid te maken. Om een aanbod te presenteren voor mensen die zoekend zijn. In een postseculiere samenleving geloven veel jongeren niet meer dat je je eigen toekomst kunt maken, maar vooral dat je die moet zien te overleven. Er is meer oog voor het kleine, het lelijke en het normaal-menselijke. Daar moet je een oefenplaats voor geven.”

Dat betekent volgens prof. Vandewiele niet dat mensen zich „automatisch” zullen voegen naar de regels van de geloofsgemeenschap. „Maar ik zou zeggen: stel je als gemeenschap open voor de Heilige Geest. Ik weet van een klooster waar onlangs drie jonge novicen zijn gekomen en inmiddels vijftig vrijwilligers werken. Of die er over twintig jaar nog zijn? Dat weet ik niet. Dat weet God alleen. Dat is afhankelijk van Zijn genade. Maar nu zíjn ze er. We leven in een tijd van kansen. Grijp ze, zou ik tegen de kerken willen zeggen.”

Deze uitspraken zeggen iets over de manier waarop prof. Vandewiele zijn onderzoek uitvoert. „Ik spreek ook wel van onderzoekspastoraat. Daarbij werk ik volgens het ”Lukasprincipe”: van hen aan wie veel gegeven is, zal ook veel geëist worden. Ik heb lang mogen studeren en word nu zelfs betaald voor het werk dat ik mag doen, maar dat brengt ook een verantwoordelijkheid met zich mee.”

Die wil prof. Vandewiele niet alleen nemen op het gebied van cijfermatige studies. Hij is ook betrokken bij onderzoek naar het seksueel misbruik binnen de RKK. „De kerk door alle berichten over seksueel misbruik die in de afgelopen jaren openbaar kwamen, flinke klappen gekregen”, zegt hij. „Ook mensen die zich inzetten binnen de kerk en nooit iets aan het seksueel misbruik hebben kunnen doen, kregen commentaar van buitenaf. Alles wat met religie te maken had, werd over een kam geschoren. Men spreekt dan op een onvolwassen manier over religie. Dat gebeurt in België nog best wel vaak.”

Terug naar Scherpenheuvel. Daar valt rond halfvijf de vroege decemberavond. Het is gaan regenen. De misbezoekers zijn vertrokken. Velen met de auto, maar sommigen –traditiegetrouw– te voet. Grote borden kondigen voor het einde van het jaar nog tientallen missen aan. En in het voorjaar, op 1 mei, worden 20.000 kerkgangers verwacht –bijna net zoveel als het aantal inwoners van het dorp. Pastoor Van Hilst noemt dat in het jaarrapport „het wonder van Scherpenheuvel.”

Wie Scherpenheuvel aan de oostzijde verlaat, komt uit in Diest. Daar blijkt de kerk ook nog present in de samenleving. Maar toch zijn de gevolgen van de lagere ledenaantallen er steeds zichtbaarder: de Sint-Jan Berchmanskerk bijvoorbeeld maakt plaats voor een dagcentrum. Het kerkgebouw wordt ontwijd.

Uit het onderzoek van prof. Vandewiele blijkt dat 6 miljoen Belgen zich (rooms-)katholiek noemen. Dat is iets meer dan 52 procent van de bevolking. Ruim een miljoen rooms-katholieken bezoeken minstens eens per maand een mis. De 133.000 Belgische protestanten maken iets meer dan 1 procent van de bevolking uit. Ruim 23.500 van hen gaan minstens een keer per maand naar de kerk. Zowel bij de rooms-katholieken als bij de protestanten ligt het percentage ”praktiserende gelovigen” daarmee rond de 18 procent.

Voor deze gegevens was de onderzoeker afhankelijk van de European Social Survey in 2016 en het onderzoek ”Being Christian in Western Europe” van het Amerikaanse instituut PEW in 2018.

Op de onderzoeksmethoden van die bureaus is best wat af te dingen, erkent prof. Vandewiele. Zo hangt veel af van de vraagstelling. De vraag: „Bent u christen?” is minder specifiek dan „Bent u katholiek of protestant?” Al zijn er ook talrijke stromingen binnen katholicisme en protestantisme te noemen. „Het is een zwakte dat er in de onderzoeken zo weinig aandacht is voor de rijkdom van het christendom in West-Europa”, vindt prof. Vandewiele.

Ook de samenstelling van de groep ondervraagden, bijvoorbeeld qua leeftijd en geslacht, en de manier waarop die mensen benaderd worden, zijn van groot belang.

Prof. Vandewiele ziet in België geen regio waarin het aantal kerkgangers significant hoger ligt dan in de rest van het land, een soort ”Belgische Biblebelt”. „Je kunt hooguit zeggen dat de kerkgang in Wallonië iets hoger ligt dan in Vlaanderen, omdat in het Franstalige gedeelte van België nog sprake is van veel kleinere parochies, die dichter bij de mensen staan.”

De docent durft wel de stelling aan dat er in België een soort ”Bible hotspots” zijn, voornamelijk in de grootsteden. Daar zijn meer geloofsgemeenschappen dan elders. „Vroeger zag je vooral in de grootsteden een vrijzinnig-humanistische cultuur, terwijl op het platteland meer geloofsgemeenschappen actief waren. Met de komst van migrantenkerken is dat beeld veranderd. Zij vestigen zich juist in steden, waardoor daar hotspots lijken te ontstaan.”

Het onderzoek naar dergelijke hotspots moet echter nog worden uitgevoerd, benadrukt prof. Vandewiele. „Maar het zou interessant zijn om te onderzoeken of dit beeld klopt.”

De invloed van migranten in Belgische kerken neemt duidelijk toe. Bij de Waalse tak van de Verenigde Protestantse Kerk in België (EPUB) bijvoorbeeld zijn steeds meer kerkgangers, maar inmiddels ook voorgangers, uit Afrika afkomstig. Velen van hen spreken Frans, wat de communicatie vergemakkelijkt.