Paus Johannes XXIII, geboren als Giuseppe Angelo Roncalli (Sotto il Monte Giovanni XXIII bij Bergamo in Italië, 25 november1881 – Vaticaanstad, 3 juni 1963), stond als paus aan het hoofd van de Rooms-Katholieke Kerk van 1958 tot 1963. Hij werd op 3 september 2000 door paus Johannes Paulus II zalig en op 27 april 2014 door paus Franciscus heilig verklaard. Zijn feestdag is op 11 oktober, de dag van de opening van het door hem bijeengeroepen Tweede Vaticaans Concilie.

Angelo Giuseppe Roncalli was het vierde kind van de dertien kinderen van Giovanni Battista Roncalli (1854-1935) en Marianna Giulia Mazzolla (1854-1939). Zijn vader was landarbeider. De jonge Roncalli had een bijzondere band met zijn oudoom Zaverio, die vooral op de religieuze ontwikkeling van zijn achterneef veel invloed had. De dorpspastoor van Sotto il Monte onderkende de bijzondere intelligentie van Angelo en liet hem – tegen de zin van diens vader, die zijn zoon liever zag bijdragen aan het gezinsinkomen – in zijn vrije tijd Latijn leren. Met financiële hulp van een oom ging hij vervolgens naar het kleinseminarie van Bergamo. In 1901 vervulde Roncalli zijn militaire dienstplicht. Als priesterstudent kreeg hij in 1901 een beursvoor verdere studie in Rome, aan de Pauselijke Lateraanse Universiteit. Roncalli specialiseerde zich in de kerkgeschiedenis. Hij werd in 1903 tot diaken gewijd en in 1904 promoveerde hij in de theologie.

Op 10 augustus 1904 werd hij tot priester gewijd. Hij werd secretaris van Giacomo Radini-Tedeschi, de net benoemde nieuwe bisschop van Bergamo, en doceerde kerkgeschiedenis aan het seminarie aldaar. Met Radini maakte hij verschillende buitenlandse reizen, waaronder naar Palestina. Samen met Radini zette Roncalli zich in voor de verbetering van de positie van textielarbeiders in Ranica. De textielarbeiders aldaar werden zwaar onderbetaald, en waren – nadat ze al maandenlang geen loon meer gekregen hadden – in september 1909 in staking gegaan. Veel stakers werden door de politie opgepakt, maar de staking hield stand. Radini en zijn secretaris Roncalli waren solidair met de stakers, zowel in geschrift als in daad. Zo schonk Radini zijn bisschopsring ter verkoop aan de stakingsleiding, toen de stakingskas leeg geraakt was. Roncalli bezocht gevangengenomen stakers. Toen hij op het politiebureau van Ranica een vrouw ontmoette die daar samen met haar baby gevangen was gezet, gaf deze vrouw hem de baby, die de onthutste Roncalli vervolgens meenam naar het bisschoppelijk paleis. Na het overlijden van Radini raakte Roncalli zijn positie als secretaris kwijt. In Bergamo schreef hij een aantal werken over enkele Italiaanse figuren uit de Katholieke Reformatie. In de Eerste Wereldoorlog was hij eerst hospitaalsoldaat, later aalmoezenier. Paus Benedictus XV benoemde hem in 1921 tot landelijk directeur voor Italië bij de congregatie van de Propaganda Fide. Als lid van de Centrale Raad voor de Pauselijke Missiewerken bracht hij in die tijd onder andere een bezoek aan Nederland.

Angelo Roncalli werd door kardinaal van Rossum voorgedragen als apostolisch visitator voor Bulgarije. Op 19 maart 1925 volgde zijn bisschopswijding door Giovanni kardinaal Tacci Porcelli en werd hij titulair aartsbisschop van Areópoli.

Door zijn studie op het gebied van de kerkgeschiedenis, met name naar de Milanese aartsbisschop en heilige Carolus Borromeüs (1538–1584), kwam Roncalli in contact met Achille Ratti, die hem later als paus Pius XI jarenlang op diplomatieke missies in Europa en Klein-Azië zou sturen. Hij resideerde achtereenvolgens in Sofia (1925-1934), Istanboel (1934-1937) en Athene (1937-1944). Gedurende de Tweede Wereldoorlog zette hij zich in voor de redding van Joden in Griekenland. Pius XII benoemde hem op 23 december 1944 tot nuntius in Parijs, nadat diens voorganger Valerio Valeri naar het oordeel van de paus (die hierover was bericht door De Gaulle) te veel had ingelaten met het Vichy-regime.

Op 24 november 1952 ontving Roncalli een brief van het Staatssecretariaat waarin stond dat paus Pius overwoog hem te benoemen tot opvolger van de ernstig zieke patriarch van Venetië, Carlo Agostini. Deze overleed inderdaad kort na kerstmis. Op 9 januari 1953 volgde Roncalli’s benoeming in Venetië en drie dagen later werd hij kardinaal-priester gecreëerd. De Santa Prisca werd zijn titelkerk.

Toen hij op 28 oktober 1958 na een conclaaf van vier dagen op 77-jarige leeftijd tot paus gekozen werd, beschouwde men hem vanwege zijn vrij hoge leeftijd als “tussenpaus”. Overigens moet hierbij worden bedacht dat de kardinalen die in conclaaf bijeengekomen waren allemaal relatief oud waren. Van de 53 aanwezigen kardinalen waren er 24 ouder dan Roncalli. Paus Pius XII had tijdens zijn nochtans lange pontificaat slechts twee consistories gehouden, en ten gevolge daarvan was het College van Kardinalen klein en waren de leden ervan bijna allemaal behoorlijk op leeftijd. Op 4 november volgde zijn pauskroning. We weten wat de reden is van de naamkeuze van deze paus, omdat hij zich hierover zelf, meteen na de verkiezing, heeft uitgelaten:

Ik zal Johannes heten. Deze naam is me dierbaar, omdat het de naam is van mijn vader. Hij is dierbaar ook omdat het de naam is van de nederige parochie, waar ik werd gedoopt. Het is de plechtige naam van ontelbare kathedralen, verspreid over de gehele wereld, en in de eerste plaats van de gezegende en heilige basiliek van Sint-Jan van Lateranen, onze kathedraal. Het is de naam die in de lange lijst van pausen het meest gebruikt is. Inderdaad, er zijn tweeëntwintig – zonder enige twijfel – legitieme pausen geweest, die Johannes genaamd waren. Bijna allemaal hadden ze een kortdurend pontificaat. Ik heb ervoor gekozen om de nederigheid van mijn eigen naam te schutten achter deze schitterende opeenvolging van Pontifices. Was het niet Marcus, de Evangelist, de glorie en beschermer van mijn geliefde Venetië, die door Petrus, de prins van de apostelen en de eerste bisschop van Rome, geliefd werd als zijn eigen zoon en door hem Johannes werd genoemd? Ik hou van de naam Johannes, dierbaar voor mij als de gehele Kerk, omdat hij gedragen werd door twee mannen die Christus het meest nabij waren, Johannes de Doper en Johannes de Evangelist.

Johannes XXIII riep tot algemene verrassing op 25 januari 1959 het Tweede Vaticaans Concilie bijeen, dat tot vele veranderingen in de Katholieke Kerk zou leiden. Johannes XXIII riep het concilie uit met de woorden “aggiornamento”, wat ‘bij de tijd brengen’ betekent.

Hij vergrootte het kardinalencollege tot 87 kardinalen, waaronder Mgr. Montini, die later Paus Paulus VI werd. Hij stelde ook een commissie in tot herziening van de Codex Iuris Canonici, het kerkelijke wetboek uit 1917, wat in 1983 onder Johannes-Paulus II tot de publicatie van een nieuwe codex van canoniek recht leidde.

Ziekte en dood

Bij paus Johannes werd op 23 september 1962 door middel van röntgenfoto’s een ver gevorderd stadium van maagkanker geconstateerd. Anders dan dat later – bij bijvoorbeeld Johannes Paulus II – het geval was, was het in die tijd nog ongebruikelijk dat er uitgebreide mededelingen werden gedaan over de gezondheidstoestand van de paus. Het publiek zou dus nog lange tijd onwetend blijven van Johannes’ ziekte, waaraan hij in de laatste negen maanden van zijn leven erg heeft geleden. Hij had vaak verschrikkelijke maagkrampen en maagbloedingen en moest een aantal keren verplichtingen afzeggen. Ook werd opgemerkt dat hij er bij sommige publieke optredens moe en afgemat uitzag. Op 25 mei 1963 kreeg hij een maagbloeding. Hij werd opgenomen in het ziekenhuis en kreeg bloedtransfusies. Pas toen werd een persbericht opgesteld, waarin duidelijk werd dat de paus terminaal ziek was. Enkele dagen daarna overleed hij.

Zalig- en heiligverklaring

Paulus VI opende in 1970 het proces tot zaligverklaring van zijn voorganger. Op 28 januari 2000 erkende het Vaticaan het wonder dat aan paus Johannes XXIII werd toegeschreven. Het ging hierbij om een Italiaanse zuster, die genas van ernstige maagbloedingen, nadat zij een afbeelding van de overleden paus op haar buik had gelegd. Op 3 september van dat jaar volgde de officiële zaligverklaring door paus Johannes Paulus II. Tegelijkertijd werden – de door Johannes zeer bewonderde – paus Pius IX en drie anderen zalig verklaard. In zijn homilie benadrukte Johannes Paulus dat Johannes, met het uitroepen van het Concilie een seizoen van hoop voor christenen en de gehele mensheid had geopend. Na de zaligverklaring werd zijn stoffelijk overschot naar de boven de crypte liggende kerk overgebracht en rechts voorin geplaatst. Dit werd gedaan opdat bedevaarders de mogelijkheid zouden hebben om Johannes te vereren. Tot op de dag van vandaag leggen bedevaarders verse bloemen bij zijn reliekhouder en vereren zijn gedachtenis. Johannes XXIII werd op 27 april 2014 heilig verklaard door Franciscus, tegelijk met een van zijn opvolgers, Johannes Paulus II, de paus die hem zalig verklaard had.

Wikipedia