Op het moment dat Maria door de engel Gabriël werd gevraagd of zij de Moeder van Jezus wilde worden, werd zij vervuld van een grote vreugde. Zij zong een beroemde lofzang voor God, het Magnificat (‘Mijn ziel prijst hoog de Heer…’: Lukas 01,26-38.46-56). Net als haar zoon Jezus is haar het lijden niet bespaard gebleven. Maar dat had niet het laatste woord over haar. Integendeel, zij is door het lijden heen een vrouw van de liefde geworden. De Kerk noemt haar ‘de eerste van de gelovigen’, ‘beeld van de kerk zelf’. In haar smarten kunnen de gelovigen hun eigen verdriet herkennen; zij kunnen in hun gebed hun toevlucht nemen tot Maria en haar vragen voor hen bij de Heer een goed woordje te doen: zij weet wat het is verdriet te moeten doormaken. Wij zouden haar het geheim kunnen vragen om door het lijden heen te groeien in liefde en geloof.

Daarom heeft de geloofsgemeenschap vaak stilgestaan bij de momenten van verdriet in het leven van Maria. Uiteindelijk zijn ze samengevat in zeven momenten van smart:

1.
Een week na Jezus’ geboorte moet hij in de tempel aan God worden opgedragen. Op het moment dat Maria en haar man Jozef op het tempelplein arriveren, verschijnt daar de oude Simeon. Hij neemt het kind in zijn armen en dankt God met de woorden: “Laat uw dienaar nu maar, Heer, naar uw woord in vrede gaan. Want op dit moment hebben mijn ogen uw heil aanschouwd, dat U voor alle volken hebt bereid. Een licht dat voor de heidenen straalt; een glorie voor uw volk Israël.” En tot de verbaasde Maria sprak hij: “Zie, dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt, opdat de gezindheid van vele harten openbaar mag worden. En ook uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord.” [Lukas 02,22-35]

2.
Enige tijd na Jezus’ geboorte verschijnen er wijzen uit het oosten. Zij dienen zich aan bij koning Herodes met de vraag, waar de pasgeboren koning van de Joden te vinden is, want – zeggen zij – “wij hebben zijn ster in het oosten gezien”. Herodes schrikt en heel Jeruzalem met hem. Hij is niet een geboren koning, hij heeft het koningschap gekocht. Hij besluit het kind te doden en stuurt de wijzen naar het nabijgelegen plaatsje Bethlehem, want daar moet het kind volgens de heilige boeken geboren zijn. En hij vraagt hen, of ze na afloop terug willen komen, “want dan kan ook ik het hulde gaan brengen”. De wijzen aanbidden het kind, maar gewaarschuwd door een engel, dat Herodes het kind wil doden, gaan zij niet meer bij hem langs: zij keren langs een andere weg naar huis terug. Herodes bemerkt dat hij bedrogen is en geeft zijn leger bevel alle kinderen onder de twee jaar in en om Bethelhem te doden. Jozef krijgt een droom waarin een engel hem aanspoort het kind en zijn moeder te nemen en te vluchten naar Egypte. Daar moeten ze blijven tot Herodes gestorven is en het gevaar geweken. [Matteüs 02,01-21]

3.
Als Jezus twaalf jaar is, reist hij bij gelegenheid van het paasfeest met zijn ouders mee naar Jeruzalem. Hij wordt zo geboeid door de gesprekken met de leraren en schriftgeleerden, dat Hij alles om zich heen vergeet. Op de terugweg bemerken zijn ouders dat hij niet ergens anders in de karavaan met familieleden meereist, en dodelijk ongerust keren ze terug naar Jeruzalem. Na drie dagen zoeken vinden ze Hem, nog altijd gezeten tussen de leraren, die verbaasd staan over zijn begrip en zijn antwoorden. Zijn ouders stonden perplex en zijn moeder zei: “Maar kind, waarom heb je ons dit aangedaan? Moet je kijken met hoeveel smart je vader en ik naar je hebben gezocht?” Maar hij antwoordde: “Wist u dan niet dat ik in het huis van mijn vader moest zijn?” [Lukas 02,41-52]

4.
Omdat Jezus veel kritiek had op de schijnheiligheid van de religieuze leiders van zijn dagen, had Hij zich veel vijanden gemaakt. Uiteindelijk wisten ze Hem te pakken te krijgen en aan de Romeinse overheid voor te geleiden. Ze bewerkten de stadhouder Pilatus, zodat deze besloot Hem te laten kruisigen, ondanks het feit dat hij erkende geen schuld in Hem te vinden. Jezus moest zelf zijn kruis dragen naar de plaats van de terechtstelling even buiten Jeruzalem. Lukas vertelt, dat Jezus zelfs in die situatie kans zag wenende vrouwen te troosten [Lukas 23,27-31]. Hoewel geen van de evangelisten het uitdrukkelijk vertelt, heeft Hij volgens de overlevering op die kruisweg ook zijn moeder Maria ontmoet: een smartelijk gebeuren.

5.
De evangelist Johannes vermeldt uitdrukkelijk, dat Jezus’ moeder onder het kruis stond op het moment dat Hij stierf: “Toen Jezus zijn moeder zag, en naast de leerling die Hij liefhad, zei Hij tot zijn moeder: “Vrouw, ziedaar uw zoon. Vervolgens zei Hij tot de leerling: “Zie daar uw moeder.” En van dat ogenblik nam de leerling haar bij zich in huis. [Johannes 19,26-27]

6.
Toen Jezus na zijn dood van het kruis werd afgenomen, legde men Hem in de schoot van zijn moeder. Ook dit wordt niet verteld door de evangelisten. Maar het tafereel is vooral in de middeleeuwen vaak afgebeeld. Zo’n afbeelding van Maria in droefheid met de dode Jezus op haar schoot noemt men een Pietà.

7.
Tenslotte werd Jezus in een nieuw graf gelegd. Als Maria onder het kruis stond, was ze daar natuurlijk ook bij aanwezig. Dat is de zevende smart.

bron: heiligen.net