Kun je het kind echt heel resoluut met het badwater weggooien? Zeker als dat badwater een stank uitwasemt die zijn weerga niet kent? In het geval van de katholieke kerk is dit spreekwoordelijke beeld heel frappant.

Het opgroeiende kind dat in vele gedaanten op weerzinwekkende wijze door priesters en andere kerkfunctionarissen werd misbruikt, heeft in het christendom vanaf zijn geboorte een emblematische weerklank. Het kind dat in de kribbe tussen vreedzame dieren is geboren, is niet alleen onschuldig, zoals alle kinderen, maar herbergt een boodschap van hoop in zich. Hebben dan lieden uit de katholieke kerk de laatste vijftig tot honderd jaar Het Kind en zijn woord van vrede en compassie werkelijk vermoord? Is het zo dat, nadat God door Friedrich Wilhelm Nietzsche dood werd verklaard, ook Jezus in de stal dood werd geboren

Woensdag lazen we in deze krant hoe de Nederlandse bisschoppen, voor het eerst in een verklaring, het boetekleed aantrekken wegens de behandeling van misbruikslachtoffers door hun kerk. Rijkelijk laat, maar misschien nog niet té laat. Tegelijk roepen de bisschoppen op, voor zover ze die autoriteit nog bezitten, om niet ontmoedigd te raken, maar ‘schaamte en pijn om te zetten in toewijding tot preventie en herstel voor de slachtoffers’.

Ik ben er klaar mee. Wat de concrete acties van paus en ondergeschikten ook mogen zijn, ik ben niet van plan om mijn eigen ­jeugdbelevenissen in dit stinkende badwater te laten verzuipen en in de goot te gieten: ik heb binnen die kerk de mooiste en gelukkigste momenten van mijn prille leven gekend.

Noem dit, als u wilt, een uitzondering die de regel bevestigt, maar ik houd het op een constructieve getuigenis.

Het was, geloof ik, tijdens een samenzijn bij deze krant dat een (protestantse) collega mij spottend vroeg of ook ik door grijpgrage priesterhanden was gepakt. Ik schrok. Het beeld dat heerst, is bij sommigen niet meer te herstellen.

Ik ben in de loop van mijn Nederlandse jaren gewend geraakt aan de gitzwarte visie van domineeszoons op hun eigen getraumatiseerde jeugd. Aan de blik die ze over hun schouder op hun benauwde kindertijd wierpen. Ik respecteer elke beleving en existentiële overpeinzing, ook al is die in wraakzucht gedrenkt. Maar kan ik er wat aan doen dat ik als kind, als misdienaar en als plechtige communicant mijn mooiste jaren heb beleefd? Dat ik van die jonge priesters van de catechismus en communie alleen toewijding heb ervaren en nooit zelfs maar een vinger in mijn onderbroek heb gevoeld? En dat mijn held die vaderlijke abbé (priester) Bertrand was. Grote tanden, dikke buik en ongelooflijk veel geduld en liefde voor al die voetballende kinderen op het veld achter zijn sacristie.

Ja, ik kan diep meevoelen met al die misbruikte slachtoffers. Maar al die intens gelukkige jaren laat ik me niet afpakken. En als eenvoudige cultuurkatholiek, die nu nog slechts in ‘een God gelooft die niet bestaat’, zal ik volgende Kerst de Italiaanse nachtmis bijwonen.

Trouw