Een moraal die door zoveel priesters is gecorrumpeerd: terwijl een kerk het moet hebben van geloofwaardigheid en morele autoriteit. Geen wonder dat de kerk als instituut ernstig wankelt. Is haar moreel gezag nog te herstellen?

Opnieuw ontuchtschandalen met duizenden minderjarigen – het gaat maar door. Afschuw en woede gaan gepaard met prangende vragen. Hoe is het mogelijk dat juist de kerk kan verworden tot een plaats waar de christelijke waarden van medemenselijkheid en naastenliefde anarchistisch tegen zichzelf gaan revolteren? Geestelijken die zich willens en wetens verlagen tot misdadige en mensonterende praktijken, niet zelden aan het zicht onttrokken door een strak georganiseerd netwerk. Waarom zijn er voorschriften die bepalen dat een geestelijke een geheimhoudingsplicht heeft tegenover een collega die zich schuldig maakt aan seksueel misbruik. Dit zelfs op straffe van excommunicatie?

De rooms-katholieke priester Antoine Bodar stelde onlangs (de Volkskrant, 30 augustus) dat er binnen de kerk meer aandacht zou moeten zijn voor het sacrale van de eredienst, voor de godsrelatie zelf. Waarom juist dít in het licht van de diepe kerkcrisis zo belangrijk is, maakt hij niet duidelijk. Ik heb er wel een idee bij. In de godsrelatie – die strikt persoonlijk en onmededeelbaar is – laten geloof en moraal zich onmogelijk verbinden met starre regelethiek, met groepsdruk en dwang. Hier kan de mens zich niet afzijdig houden maar staat hij oog in oog met zichzelf en zijn eigen bestaan. Hier gaat het niet om regels en voorschriften maar om de vraag wat voor persoon je bent en zou moeten zijn, de vraag naar wie je werkelijk bent. Dat vraagt oprechtheid. Een oprechtheid die manipulaties en schimmig gedrag van binnenuit aan de kaak stelt en ons daarboven uittilt.

Het herinnert me aan een college dat ik ooit volgde over de Franse filosoof Jean-Paul Sartre. Voor Sartre houdt mens-zijn ten diepste in het vermogen te kunnen omgaan met persoonlijke angst en wanhoop. Het menselijk bestaan brengt onherroepelijk angst met zich mee, en die is nodig om moreel verantwoordelijke keuzes te maken. Juist die angst zouden we daarom niet uit de weg moeten gaan. Het christelijke geloof voegt daar iets wezenlijks aan toe: het niet uit de weg gaan van je eigen kwalijke trekken. Deze onder ogen zien juist omdat er genade is. In die wisselwerking wordt die genade nooit een goedkope absolutie. Ze zet juist aan om jezelf kritisch te bekijken, zonder wanhoop en om te verbeteren.

Zodra niet zelfreflectie maar zelfontkenning de moraal gaan bepalen is het met waarden als empathie en naastenliefde gedaan. Dat dit niet alleen opgaat voor de kerk maar voor de samenleving als geheel blijkt wel uit het verbijsterende gemak waarmee we anderen moraliserend de maat nemen en desnoods aan de schandpaal nagelen als het eigen belang of de oplages van moord en brand schreeuwende media ermee zijn gediend. Zonder innerlijkheid en zelfreflectie blijkt de moraal vooral een handig instrument te zijn om anderen af te troeven, om een vete – ook in de kerk – uit te vechten of om in de ongebreidelde concurrentie van media zoveel mogelijk kijkers en lezers te bemachtigen.

Hoe en of de kerk haar morele gezag nog zal kunnen terugwinnen is zo gezien niet de juiste vraag. Belangrijker is, denk ik, of de kerk – en niet alleen de kerk – in staat is het masker van morele superioriteit af te werpen ten gunste van een meer verinnerlijkte vorm van bestaan.

Trouw