Het gaat er heet aan toe in en rond de katholieke kerk, sinds een officieel rapport in Pennsylvania het misbruikschandaal opnieuw op de voorpagina’s bracht. Komt er dan nooit een eind aan?, vraagt de een. Nu wordt het tijd voor échte daden!, roept de ander.

Wát die daden precies zouden moeten behelzen, blijft nogal in het ongewisse. Je zou zeggen: voorkomen dat zoiets in de toekomst opnieuw kan gebeuren. Zoals Stijn Fens in deze krant schreef, is daar de afgelopen jaren al hard aan gewerkt. Intussen lijkt het alsof de schandalen alleen maar erger worden.

Dat is niet zo. Zoals Fens opmerkte, liggen verreweg de meeste daarvan al tamelijk ver in het verleden. Het rapport in Pennsylvania noemde het tot de verbeelding sprekende getal van meer dan duizend slachtoffers, maar in het tumult ging een beetje verloren dat dat betrekking had op een periode van bijna driekwart eeuw. Het misbruik concentreerde zich voornamelijk in de eerste decennia daarvan.

Laat er geen misverstand over bestaan dat duizend slachtoffers er duizend teveel zijn. Maar laat de cijfers niet de overhand krijgen over het perspectief. Tot aan de jaren zeventig was de RK-kerk in het westen een massa-organisatie die ook in een ‘protestants’ land als Nederland bijna de helft van de bevolking omvatte. Dan lopen zelfs bij relatief sporadische ontsporingen de getallen snel op. Voor het individu is dat een schrale troost. Maar voor een oordeel over de organisatie is het van belang.

Zoals de commissie-Deetman enkele jaren geleden al constateerde, neemt het aantal meldingen van misbruik vanaf de jaren zeventig scherp af. Niet toevallig was dat de tijd waarin katholieke internaten massaal werden gesloten – want ook binnen de kerk maakt de gelegenheid de dief. Wonderlijk genoeg werden geslachtelijke relaties tussen kinderen en volwassenen in diezelfde jaren met een zekere mildheid, zo niet enthousiasme bekeken. Ook kinderen hebben seksuele verlangens, zo luidde het hier en daar in progressieve kring. Die moeten bevrijd worden van de repressie uit het verleden – waarvoor op haar beurt de kerk verantwoordelijk werd gesteld.

Zo schuilt er nogal wat ironie in het verleden, met de erfenis waarvan ‘Rome’ het nu zozeer te stellen heeft. Aan dat laatste zal voorlopig geen einde komen. De RK-kerk ligt onder het vergrootglas en we kunnen nog menig rapport à la Pennsylvania tegemoet zien: een steeds weer opstekende storm – die andere maatschappelijke sectoren intussen comfortabel in de luwte houdt. Want zoals Deetman óók opmerkte, is seksueel misbruik geen exclusief en zelfs geen uitzonderlijk katholieke zonde. Ook elders – zo concludeerde hij – is onderzoek dringend gewenst.

Zijn woorden zijn grotendeels in de wind geslagen. De Jehovah’s Getuigen kregen er een zwieper van mee en ook over de jeugdzorg kwam een rapport. Dat laatste kon zo alarmerend niet zijn – ook en misschien wel vooral over het heden – of de verantwoordelijke overheid achtte bij monde van premier Rutte excuses overbodig. Veel maatschappelijke verontwaardiging is daarover niet opgestoken.

Nog in leven zijnde misbruikplegers in de RK-kerk lijken schaars te zijn geworden; de daadkracht die van de paus wordt verwacht is verschoven van de eigenlijke misdaad naar het toedekken ervan. Vooral kerkelijke overheden die de schande uit de openbaarheid hebben gehouden liggen nu onder vuur – inclusief Franciscus zelf.

Was dat laakbaar? Ongetwijfeld. Was het vreemd? Nou, nee. Alle organisaties die met dit soort dingen worden geconfronteerd houden dat zo veel en lang mogelijk verborgen. Gerard Reve heeft ooit verteld hoe hij bij de communistische jeugdbeweging door een groepsleider werd aangerand. De reacties van de bestuurders waren even verheimelijkend.

Natuurlijk is dat allemaal niet fraai, binnen of buiten de RK-kerk. Maar iets meer terughoudendheid bij de huidige wereldwijde opwinding zou nuttig zijn. Seks, religie, kinderen en een ogenschijnlijk Dan-Brown-achtig half-geheim genootschap: het zijn allemaal uitgelezen ingrediënten voor griezelverhalen en sensatie. En net als dát literaire genre draagt de RK-horror aangenaam bij aan het seculiere zelfgevoel wél te deugen, in plaats van ‘die-daar’.

Zo kan de roep om straf voor doofpotprelaten zelf een doofpotoperatie worden. De katholieke kerk hoeft niet trots te zijn op haar misbruikverleden – maar helaas heeft de rest van de samenleving evenmin reden om dat op de hare te zijn. Uit de gretige sensatie over de zoveelste Roomse beerput dampt iets te veel zelffelicitatie op om helemaal te vertrouwen.

Trouw