Bernardus werd vermoedelijk in 1091 geboren te Fontaine-les-Dijon uit een adellijk geslacht. Zijn moeder was Aleth de Montbard († vóór 1150; feest 4 april); zij was reeds op vijftienjarige leeftijd gehuwd met Técelin († ca 1150; feest 4 april), heer van Fontaine-les-Dijon, bijgenaamd ‘de Blonde’. Als het aan moeder had gelegen, was zij zelf liever het klooster in gegaan, maar zij schikte zich in haar lot en volgde haar man naar zijn kasteel. Gelukkig was haar heer een deugdzaam man. Zijn plicht maakte, dat hij haast altijd aan het hof van de hertog van Bourgondië verkeerde, maar ook in dat milieu bewaarde hij zijn godsdienstzin en goede zeden. Het echtpaar kreeg zes zonen en één dochter: Guido († tweede helft 12e eeuw; feest 11 mei), Gerard († 1138; feest 13 juni), Bernard, Hombeline (of Humbelina: † ca 1135; feest 21 augustus), André († tweede helft 12e eeuw; geen feestdag), Barthélémy († tweede helft 12e eeuw; † 9 december), Nivard († tweede helft 12e eeuw; feest 7 februari). In hun opvoeding legden de beide ouders bij hun kinderen de basis voor een onverzettelijke, heilige levenswandel. Moeder besteedde veel zorg en aandacht aan haar kinderen en gaf hun waar ze zelf van leefde: vroomheid en eenvoud. Tijdgenoten zeggen van haar, dat zij van het kasteel een half klooster had gemaakt. Daardoor zou je kunnen zeggen, dat alle kinderen het religieuze leven met de paplepel ingegeven kregen. Ze zijn dan ook uiteindelijk allemaal het klooster ingegaan. De beroemdste werd Bernard.

Toch wees er aanvankelijk niets op dat de onstuimige, radicale Bernard die kant op zou gaan. Maar nadat hij de kloosterschool van Notre-Dame de Châtillon had doorlopen, trad hij in 1112, samen met 5 vijf familieleden en nog 30 edellieden in het klooster van Cîteaux, dat in die tijd onder leiding stond van de grote abt Sint Stephanus Harding († 1134; feest 17 april). Alleen zijn boers Gerard en Nivard waren daar toen nog niet bij; Gerard diende nog in het leger, en zou later intreden. De jongste, Nivard, lieten zij thuis bij vader als troost voor zijn oude dag; hij zou later mét zijn vader naar het klooster komen.

De grote groep nieuwkomers gaf een extra impuls aan de nieuwe orde der cisterciënzers, genoemd naar hun klooster Cîteaux, die al bij abt Robertus van Solesme († 1110; feest 29 april) begonnen was en door de nieuwe ordesregel, ‘Charta Caritatis’ geheten, van de hand van Stefanus Harding zijn beslag had gekregen.

Vanuit Cîteaux stichtte Bernardus en zijn gezellen kloosters in La Ferté-sur-Grosne (1113), Pontigny (1114), Morimond en Clairvaux-sur-Aube (25 juni 1115); Bernardus werd abt van dit laatste klooster: hij zou er voortaan naar genoemd worden. Deze eerste vier vestigingen worden de ‘eerste vier dochters’ van Sint Bernardus genoemd. Ze werden gevolgd door vele tientallen andere, waaronder Fontenay (1119), Igny (1127), Notre-Dame- d’Aiguebelle (1137) bij Montélimar, Villers bij Villers-la-Ville ten zuiden van Brussel (1146), waarvan de ruïnes nog altijd een geweldige indruk op de bezoeker achterlaten, Aulne (1147) en Cambron (1148). Dankzij zijn inspanningen ontstonden er ook vestigingen in Italië (1120), Duitsland (o.a. Amelunxborn, 1129), Oostenrijk (1130), Engeland en Schotland (o.a. Fountains, 1135, en Melrose, 1136), Tsjechië (o.a. Sedlec, 1142), Portugal (o.a. Alcobaça, 1147) en Spanje (o.a. Santes Creus, 1150, en Poblet, 1153). Bekende cisterciënzerabdijen in Zuid-Frankrijk zijn voorts Silvacane (1144), Fontfroide, dat zich in 1146 bij de orde voegde, Sénanque (1148) en Le Thoronet, aanvankelijk al elders begonnen, maar rond 1155 verhuisden de monniken naar de huidige vestiging. Dit alles overziende is het duidelijk, waarom Bernardus ook wel de tweede stichter van de cisterciënzers wordt genoemd.

De officiële benaming van de orde luidt Sacer Ordo Cisterciensis, afgekort als s.o.cist. of o.s.b.cist.; zij worden cisterciënzers van de gewone observantie genoemd, ook Bernardijnen genoemd. Na de hoge middeleeuwen voerden zij een aanzienlijke versobering in, vooral in hun kerken en kloostergebouwen.

Zij gaan gekleed in een witte pij met zwart scapulier waaraan de zwarte capuce is bevestigd, alles bijeengehouden met een brede leren riem. In het koor dragen zij een kovel. Leden van de vrouwelijke tak heten cisterciënzerinnen.

In zijn persoonlijk leven was hij uiterst sober en streng. Volgens zeggen dreef hij bij velen duivels uit en verrichtte hij herhaaldelijk wonderen. De kerk van die tijd was een machtige en rijke kerk. In reactie daarop legden de kloosters de nadruk op de vrijwillige armoede die Jezus zijn apostelen voorhield: “Tracht geen goud, zilver of koper te verwerven om daar uw beurzen mee te vullen”(Matteüs 10,09).

Hij verlangde terug naar de armoede en de eenvoud van het begin van het kloosterleven. Maar vele benedictijner kloosters waren in de loop der tijden uitgegroeid tot kapitaalkrachtige grootgrondbezitters; daarmee was de eenvoud en de kloosterlijke geest in zijn ogen verloren gegaan. ‘Zijn’ nieuwe klooster- en kerkgebouwen ademden een rustige sfeer van soberheid; alle weelde en overdaad aan binnen- en buitenkant werden geweerd. Dat bracht hem in botsing met aanhangers van de benedictijner hervormingsbeweging van Cluny, zoals Guillaume van St-Thierry († 1149; feest 8 september) en Petrus Venerabilis van Cluny († 1156; feest 11 mei).

De vurige, felle onstuimigheid die bij hem in zijn jeugd al zo opviel, kenmerkte hem ook als predikant en redenaar. Mede daardoor en door zijn intensief geestelijk leven had hij grote invloed op het kerkelijk reilen en zeilen van zijn tijd. Zo was het mede aan hem te danken dat het conflict tussen paus Innocentius II († 1134) en tegenpaus Anacletus († 1138) tot een oplossing kwam. Hiermee houdt ook de bekering verband van de latere heilige Wilhelmus van Maleval († 1157; feest 10 februari).

Na de dood van paus Honorius II († 1130) was Innocentius eigenlijk op onrechtmatige wijze door een minderheid onder de kardinalen tot Honorius’ opvolger gekozen. Er kwam een tegenpaus, Anacletus II. Maar Innocentius kreeg de steun van de meeste vorsten. Op een Concilie in Frankrijk werd ook Bernardus om zijn oordeel gevraagd, omdat hij alom zo hoog in aanzien stond. Bernardus koos partij voor Innocentius, maar nu bleek dat zich onder de medestanders van Anacletus ook Wilhelmus bevond. Hij bestreed te vuur en te zwaard ieder die op de hand van Innocentius was. Nu begaf Bernardus zich naar Poitiers om Wilhelmus daarover te onderhouden. Al gauw bleek dat Wilhelmus niet van zins was om de heilige abt ook maar een duimbreed toe te geven. Integendeel. Onverrichterzake keerde de grote monnik naar zijn kloostercel terug. Intussen hield Wilhelmus in zijn omgeving huis onder Innocentius’ getrouwen: hij bracht grote schade toe aan de kerkelijke goederen. En bisschoppen die hem niet bevielen, verdreef hij uit zijn machtsgebied. Nu stuurde de paus een nieuwe delegatie naar Wilhelmus en weer stond Bernardus aan het hoofd. Het enige wat hij wist te bereiken was dat Wilhelmus paus Innocentius erkende. Maar de machtswellusteling weigerde schadevergoeding te betalen voor alle vernielingen die hij had aangericht en ook de verdreven bisschoppen mochten niet terugkeren.

Daarop begaf Bernardus zich naar de kerk, waar hij overigens niet mocht binnengaan, omdat de hertog hem dat verboden had. De heilige abt las dus de mis op het kerkplein en op het moment dat hij de geconsacreerde hostie toonde, richtte hij zich op zeer strenge toon tot Wilhelmus. Dit was teveel voor de hardvochtige hertog; hij zag zijn wandaden in en wierp zich ter plekke berouwvol voor de voeten van Bernardus neer.

Door zijn toedoen werd paus Innocentius gedwongen de beroemde geleerde Abelardus († 1142) als ketter te veroordelen. Tijdens de paasdagen van 1146 was hij in Vézelay; daar riep hij in zijn predikaties op tot een tweede kruistocht. Ondanks de deelname van Lodewijk VII van Frankrijk († 1180) en Koenraad III († 1152) van Duitsland zou die onderneming op een mislukking uitlopen.

Mede door de kruistochten leerde men het Heilig Land kennen. En daardoor raakte men weer sterk doordrongen van Jezus’ menselijk bestaan. Tot dan toe was de Heer voornamelijk afgebeeld als overwinnaar in triomferende majesteit. Bernardus schilderde in zijn preken het lijden van de Heer. Zijn devotie voor Jezus’ menselijkheid was zeer groot. Dat leidde tot de legende, dat Maria hem, toen hij eens in gebed was in de kerk van St-Vorles in Châtillon-sur-Seine, in een visioen melk uit haar borst liet proeven.

Net als in zijn preken liet hij zich in zijn brieven en andere geschriften diepgaand inspireren door de Heilige Schrift. Bekend zijn zijn overwegingen bij het Hooglied van Salomo. Zijn hoofdwerk, ‘De Consideratione’ geschreven rond 1148, droeg hij op aan paus Eugenius III († 1153; feest 8 juli). Reeds tijdens zijn leven gaven zijn bewonderaars hem de eervolle bijnaam ‘Doctor Mellifluus’ (= ‘honingvloeiende leraar’).

Bij Bernardus’ dood telde de cisterciënzer orde 339 kloosters, waarvan er 68 rechtstreeks onder Cîteaux ressorteerden; in Engeland waren er 122, in Italië 88, in Spanje 56 en in Duitsland zeker meer dan honderd.

Na zijn dood werd hij opgevolgd door de uit Brugge afkomstige abt Robrecht Gruuthuse († 1157; feest 29 april). Het waren Guillaume van Saint-Thierry en Arnoldus van Bonneval († 1156; feest 6 februari), die zich meteen aan een levensbeschrijving zetten. Ruim twintig jaar na zijn dood, 1174, werd Bernardus reeds heilig verklaard. Paus Pius VIII († 1830) riep hem in 1830 uit tot kerkleraar.

heiligen.net