Seculier selfisme

In de voormalige synagoge aan de Turfmarkt te Gouda woonde ik vorige week de presentatie bij van Peter Hitchens’ boek ”Opstand tegen God”, een vertaling van ”Rage against God”. De oorspronkelijke titel drukt treffender uit dat Hitchens de moderne westerse mens typeert als een klein kind dat kwaad is op z’n ouders omdat het z’n zin niet krijgt. Furieus, dat is niet complimenteus. Maar het punt dat Hitchens hier maakt spoort wel met de waarneming dat de samenleving sinds de opstand van de jaren 60 een stuk puberaler is geworden. Als je alles kunt doen wat je leuk vindt en pijn vermijdt, bereik je het volmaakte geluk. Plezier hebben en lol maken, daar gaat het om in het leven.

Maar als dit het levensmotto is van de moderne mens, vanwaar dan die woede op God? Volgens Hitchens komt die voort uit de surrogaatreligie die zich vandaag de dag breed maakt in onze samenleving: de cultus van het zelfbepalende en onbegrensde ik. De Bijbelse waarden en normen die de kerk en het christelijk geloof uitdragen, staan uitleving van deze vrijheidsdrang in de weg. De christelijke God moet daarom worden doodverklaard en uitgebannen. Zijn gezag accepteren we niet langer. Zijn geboden hinderen, dus kunnen ze ons gestolen worden.

Wie in politiek en samenleving opkomt voor de goddelijke inzettingen, kan de wind vol van voren krijgen. Wil jij soms jouw christelijke moraal aan de samenleving opleggen? Het mag en zal dan ook niet waar zijn dat de Tien Woorden van God het leven van de mens beschermen en het samenleven mogelijk maken. Waarom? Ze herinneren de mens –christen of niet– eraan dat hij onvolmaakt is en schuldig staat tegenover God en medemensen.

Overigens laat het ook veel mensen onverschillig. Als jij dat gelooft, prima, houd het dan voor jezelf en val mij er niet mee lastig. Anderen storen zich er mateloos aan en worden furieus. Het christendom heeft voor hen afgedaan en móét tot zwijgen worden gebracht. Intussen –de mens is ongeneeslijk religieus– komt er een alternatief voor in de plaats. Hitchens noemt dat het geloof in de verhevenheid van de mens en de vervolmaakbaarheid van de samenleving. Dit laat zich wonderwel combineren met de genoemde cultus van het onbegrensde ik. Voor het gemak duid ik het maar aan met een alliteratie: seculier selfisme.

De seculiere selfisten lijken nog nooit zo zeker zijn geweest van hun zaak als nu. Ze voelen dat ze de wind in de zeilen hebben en willen het ijzer smeden nu het heet is. Ze achten de tijd rijp om hun utopie van de volmaakt vrije samenleving te realiseren. Daarom doen ze een greep naar de macht. Absolute macht welteverstaan. Want met minder kun je niet toe als je de hele werkelijkheid naar je hand wilt zetten. Hun belangrijkste rivalen moeten hoe dan ook het onderspit delven: de kerk, het gezin, de christelijke school en in het verlengde daarvan ook de christelijke verenigingen en organisaties.

Natuurlijk gebeurt dat niet al te bruusk en openlijk. Dat roept te veel weerstand op. Dus gaat het subtiel en sluipenderwijs. Antidiscriminatiebepalingen worden steeds verder opgerekt, zodat de klassieke vrijheidsrechten geen garanties meer bieden voor christelijke verenigingen, organisaties en scholen. Met versluierende taal over sociale inclusie, gelijkheid en diversiteit (wie kan daar nu iets op tegen hebben?) worden orthodoxe opvattingen over huwelijk, gezin en seksualiteit als extreem weggezet en buiten de orde verklaard. Al te inclusief past niet in de utopie.

Op het eerste gezicht is het wat raadselachtig waarom de seculiere selfisten zich zó druk maken om de kerk. Het kerkbezoek loopt al jaren terug, toch? In veel streken en steden leidt de kerk een zieltogend bestaan, verzwakt door innerlijke verdeeldheid, interne gerichtheid en verlegenheid tegenover stellige claims van de wetenschap. Zelfs een kerk in de marge van de maatschappij kunnen seculiere selfisten niet tolereren. Dat heeft ermee te maken, aldus Hitchens, dat het christelijk geloof met zijn gebed ”Uw Koninkrijk kome” belijdt dat de mens hier en nu geen volmaakte samenleving realiseert. Dat stelt iedere utopie onder fundamentele kritiek. Maar er is meer: het geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde, vormt een waarborg tegen elke aanbidding van menselijke macht. En ten slotte noem ik de vreze des Heeren, dat is: de liefdevolle eerbied voor God, die bewaart voor de schijnvrijheid (slavernij!) van het seculiere selfisme en de verleiding van elke andere surrogaatreligie. Wie God vreest, hoeft niets en niemand anders te vrezen.

Reformatorisch Dagblad