Liduina van Schiedam, ook Liduïna, Sint-Liduina, Lidwina of Liedewij genoemd, (Schiedam, 18 maart 1380 – aldaar, 14 april 1433) is een katholieke heilige, patrones van de chronisch zieken en de bekendste Nederlandse heilige.

Vanaf Vaticanum II geldt als haar feestdag 14 juni; tot dan toe was het 14 april. Op 14 maart 1890 werd door paus Leo XIII een decreet uitgevaardigd, waarin na onderzoek over de verering van Liduina, een conclusie van de Heilige Congregatie voor de Riten in het Vaticaan geldig werd verklaard en bekrachtigd. Die Congregatie had geconcludeerd, dat Liduina in 1634 al meer dan 100 jaar als heilige werd vereerd, waardoor zij behoort tot de uitzonderingen genoemd in het decreet van paus Urbanus VIII (1634). De pauselijke decreten van Urbanus VIII en Leo XIII impliceren dat Liduina in kerkrechtelijke zin een volwaardige heilige is. In 1890 werd Liduina niet heilig verklaard, maar werd haar reeds eeuwenlang bestaande heiligheid erkend.

Liduina werd geboren op Palmzondag en groeide op in een gezin met acht broers. Op 12-jarige leeftijd werd ze ten huwelijk gevraagd, maar ze wees dit aanbod resoluut af omdat ze haar leven aan God wilde wijden. Op 15-jarige leeftijd ging ze samen met vriendinnen schaatsen op de dichtgevroren Maas. Ze viel en brak daarbij een rib, waarna ze koudvuur opliep. Ze bleef hierdoor de rest van haar leven verlamd en aan bed gekluisterd. Toen ze een paar jaar later weer eens opstandig was over haar lijden, beval haar biechtvader, Jan Pot, haar aan de passie van Jezus te overwegen. Toen dat geen troost opleverde, zag ze ervan af. Nadat haar geestelijk leidsman haar aanmoedigde, probeerde ze het opnieuw, en deze keer kreeg ze daardoor zoveel voldoening, dat ze haar ziekte nog niet wilde ruilen voor een weesgegroet.

Door deze houding maakte ze grote indruk op de vele bezoekers die zij kreeg en vooral op chronisch zieken voor wie zij een grote troost was. Velen kwamen opgemonterd bij haar vandaan. Haar lijden uitte zich in stigmata en zij was een voorbeeld van heldhaftig lijden en de liefde van God tot de mensen.

Liduina beleefde visioenen, waarin zij samen met haar engelbewaarder Rome, het Heilig Land, hemel, hel en vagevuur bezocht. Tijdens één van haar reizen naar het paradijs zag zij een rozenstruik. Haar engelbewaarder gaf haar een tak en vertelde haar, dat ze niet zou sterven voordat alle rozen ontloken waren. Pas na achtendertig jaar lijden kwam er een eind aan haar leven. Ze zag in haar laatste visioen een bloeiende rozenstruik en stierf.

Op 17 april 1433 werd Liduina op het kerkhof van de Sint-Janskerk in Schiedam begraven. De kist werd niet in de aarde gezet en ook niet met aarde bedekt, maar stond op balken die dwars over de bodem van het graf lagen. Liduina had uitdrukkelijk verzocht haar stoffelijk overschot niet met aarde in contact te brengen, omdat zij zelf lange tijd geen voet op de grond had gezet. Op haar sterfplek werd een kapel gebouwd.

Haar relieken bevinden zich thans in de Basiliek van de H. Liduina en Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans in Schiedam. Sinds haar overlijden is haar graf een oord van pelgrimage. Op 18 juni 1990 werd de Liduinakerk tot basiliek verheven door paus Johannes Paulus II.

Wikipedia