Over de merkwaardige verstrengeling van staat en religie die zich op dat moment op miljoenen tv-schermen ontrolde was nauwelijks een kritische noot te horen, of ze raakte bedolven onder de extatische bewondering voor de preek van de Amerikaanse bisschop Michael Curry. Sommigen raakten er bijna op slag gelovig van.

Dat is misschien niet vreemd voor een land waarin het beginsel van de scheiding van kerk en staat nog altijd niet zijn beslag gekregen heeft. Alleen in Scandinavië vind je nog hier en daar de premoderne gedachte terug dat het staatshoofd tegelijk het hoofd van de staatskerk moet zijn. Voor een land dat zichzelf beschouwt als de bakermat van de democratie is dat een wonderlijk atavisme, maar irrationaliteit voelt zich in het oude Engeland wel vaker als een vis in het water.

Vreemd genoeg had Nederland in de voorafgaande dagen net een nieuw golfje religiehaat te verwerken gekregen. Godsdienst is uitsluitend iets voor achter de voordeur, zo betoogde Telegraaf-columnist Wierd Duk weer eens. Dat was goed getimed, zo vlak voor Pinksteren: het feest waarop het christendom nu juist achter de voordeur vandaan kwam. Treurig zaten ze bij elkaar, de eerste volgelingen van Jezus, wiens missie op een échec uitgelopen leek. De deur op slot; de wereld veilig buitengesloten. Tot de Geest over hen vaardig werd en iedereen hun prediking leek te verstaan: twaalf Michael Currys avant la lettre.

Van secularisten als Duk zou de godsdienst opnieuw de kast in moeten, omdat de openbare ruimte neutraal moet zijn. Dat is een vreemde opvatting – en niet alleen omdat de allerminst neutrale homoseksualiteit tegelijkertijd juist de kast uít genodigd wordt. Wie de Engelse irrationaliteit tolereert, kan van het Nederlandse debat misschien niet al te veel coherentie eisen. Maar iets meer besef van wat de openbare ruimte is zou wel mogen.

Met het beginsel van de scheiding van kerk en staat heeft die in ieder geval niets te maken. De straat is de staat niet – en dat is maar goed ook. De straat is de plek waar ieder mag zijn en doen wat hij wil, zolang daarbij geen wetten in de weg staan en soms wat praktische bezwaren. Dat recht heeft de homo net zo goed als de hetero, en de gelovige net zo goed als de atheïst. In een democratie is ieder mens rechtens vrij om zichzelf te zijn en zich als zodanig te gedragen.

Voor de staat ligt dat heel anders, maar de staat is niet meer dan een beschermingsring rond de vrije samenleving, bedoeld om die zoveel mogelijk vrij te hóuden. Hij is formeel en abstract: precies daarin schuilt zijn neutrale karakter. Over wat mensen in concreto zijn, doen, willen en geloven heeft hij niets te zeggen – met uitzondering van die paar wetten die excessen moeten voorkomen.

Menige zelfbenoemde democraat draait de zaken radicaal om zodra de godsdienst in het vizier komt. Dan is de vrije burger niet vrij omwille van zichzelf, maar slechts in zoverre als de staat hem die vrijheid toestaat. En dat doet hij dan maar mondjesmaat: alleen achter de voordeur – tot het zelfs daar niet meer mag. De strijd om de vrijheid van onderwijs doet het ergste vrezen.

Zo democratisch kunnen secularisten niet zijn of ze keren daarmee terug tot het pre-moderne beginsel dat de vrijheid niet het eigendom van de burger zelf is, maar een genadegave van de vorst. Achter de voordeur mogen de gelovigen al blij genoeg zijn met hun godsdienstvrijheid, zo hoor je ze mompelen. Meer praats moet de burger niet krijgen – tenzij hij als homo natuurlijk juist wél uit de kast moet.

Het is een bijna brutaal idee, maar misschien zouden zij iets hebben aan het Bijbelwoord dat wet en staat er zijn voor de mens, en niet andersom. Ofwel: de burger is vrij, binnen- en buitenshuis. Hij heeft rechten waartegen geen enkele persoon of groep iets kan ondernemen zonder die rechten te schenden, zoals de beroemde openingszin luidt van Robert Nozicks liberale standaardwerk ‘Anarchy, State, and Utopia’. Ook de staat niet, hoe slinks die zich ook opwerpt als de verdediger van diezelfde liberale rechten – die plots het privilege blijken van mensen die door geen enkele herinnering aan het bestaan van godsdiensten wensen te worden gestoord.

Helaas is ook dat laatste een particuliere wens, die achter en vóór de voordeur mag worden uitgekreten – maar nooit zijn beslag mag krijgen in wet of staat. Van dat laatste lijkt het secularisme niet altijd goed doordrongen. Democratie is nu eenmaal een lastig iets. In haar beginselen omdat je er af en toe een beetje abstract voor moet kunnen denken. En in de praktijk omdat de burger zijn ergernissen soms moet verbijten en openbare ruimte niet mag opeisen voor zíjn wensen alleen. Ik wens alle religiehaters daar sterkte mee en heet hen van harte welkom in de wereld van na het ancien régime.

Trouw