Zij werd rond 1380 geboren in het Italiaanse plaatsje Roccaporena, vlakbij Spoleto. Als jong meisje droomde zij ervan in het klooster te gaan en haar leven toe te wijden aan de beschouwing van Christus die zoveel voor de mensen had geleden. Deze devotie tot de lijdende Christus was indertijd wijd verbreid. Maar haar ouders beschikten anders. Zij huwelijkten haar uit aan een ruwe man, Ferdinando Mancini, die zich weldra als een wrede echtgenoot ontpopte. Hij leed aan driftbuien en woedeaanvallen, waarvan met name zijn vrouw het slachtoffer werd. Rita kreeg dit alles praktisch vanaf de dag van haar huwelijk te verdragen en dat zou zo doorgaan gedurende al de achttien jaren van haar huwelijk.

De twee jongens die geboren werden, hadden het rauwe karakter van hun vader. Rita moet beseft hebben dat ook deze opgave een manier was om Christus na te volgen op de weg van zijn lijden. Ze bad veel en was een toonbeeld van eindeloos geduld. Op de lange duur leek dat ook tot haar man door te dringen: hij vroeg haar zelfs om vergiffenis en begon waarachtig een nieuw leven. Kort daarop werd hij door een oude vijand om het leven gebracht. Op de vlucht voor de gerechtsdienaren kwam de moordenaar ten einde raad bij haar zijn toevlucht zoeken. Zij ging op zijn smeekbeden in. Maar haar zoons hadden bloedwraak gezworen.

Volgens het verhaal zou zij verzucht hebben, dat God nog liever die twee tot zich zou nemen dan dat ze in hun opzet mochten slagen. Hoe dat ook, de jonge mannen stierven kort na elkaar. Zo lag uiteindelijk de weg voor Rita toch nog open om haar eerste liefde te volgen. Op dat moment moet ze rond de zeventwintig geweest zijn.

Na lang aandringen en herhaalde weigeringen kreeg ze in 1407 toestemming in te treden bij de augustinessen van het St-Maria-Magdalenaklooster (thans het naar haar genoemde St-Ritaklooster) te Cascia. Daar leidde zij een leven van boete en gebed; naar het schijnt stelde zij zich voortaan tevreden met water en brood. Ze zou zelfs wonderbare tekenen van verbondenheid met de lijdende Christus hebben ontvangen. Tijdens haar gebed zou een stekel van Christus’ doornenkroon gesprongen zijn en haar in het voorhoofd hebben verwond. De resterende vijftien jaar van haar leven droeg ze daar inderdaad een litteken. Merkwaardigerwijs verdween het vanzelf, toen ze op bedevaart ging naar de paus. Maar op de terugweg kwam het weer terug. Ze stierf op hoge leeftijd.

Ze werd heilig verklaard in 1900. Tegenwoordig ligt ze begraven in de plaatselijke St-Ritakerk die in 1947 ter ere van haar werd gebouwd; sindsdien is het een drukbezocht bedevaartsoord.

heiligen.net