Heilige Damiaan

Damiaan van Molokai, SS.CC., geboren als Jozef De Veuster (Ninde (gemeente Tremelo), 3 januari 1840 – Molokai, 15 april 1889), beter bekend als Pater Damiaan, was een Belgische pater van de Congregatie van de Heilige Harten van Jezus en Maria (ook wel ‘Picpuspaters’ genoemd) en missionaris, die bekend is geworden door zijn werk voor leprapatiënten. Hij is de beschermheilige voor de lepralijders en aidspatiënten. Zijn feestdag wordt op 10 mei gevierd.

Hij werd geboren als zevende kind in een boerengezin met acht broers en zussen. In zijn achtste jaar verloor hij een zus aan cholera. Toen hij 15 jaar oud was ging hij op de boerderij en in de graanhandel van zijn vader werken, maar hij wilde eigenlijk priester “voor Onze Heer en God Jezus Christus” worden. Hij ging naar het college van ‘s-Gravenbrakel, en trad vervolgens in bij de Congregatie van de Heilige Harten van Jezus en Maria in Leuven, waarbij hij de broedernaam Damiaan, naar de heilige arts Damianus, koos. Hij werd een broeder Picpus op 7 oktober 1860, in navolging van zijn broer.

Na zijn studies kreeg Damiaan toestemming om als missionaris te gaan werken op de Hawaï-eilanden. Hij vervulde daarmee de droom van zijn broer, die zelf niet kon gaan, omdat deze tyfus had gekregen. Hij kwam op 19 maart 1864 in Honolulu aan. Hij werd er in de “Cathedral of Our Lady of Peace (Honolulu)” op 21 mei 1864 tot priester gewijd, en deelde zijn vreugde over de wijding tot instrument van “Hogepriester Jezus” mee aan zijn ouders in het verre Vlaanderen. Eerst werkte hij in het district Puna op Hawaï. Daarna was hij als rondtrekkend missionaris werkzaam in het uitgestrekte district Kohala-Hamakua. Ook werkte hij in verschillende parochies op het eiland van Oahu.

In die tijd werden melaatsen van Hawaï samengebracht in een kolonie in het noorden van het eiland Molokai. Ze kregen voedsel en andere voorzieningen, maar geen medische hulp. Damiaan vond dat ze ten minste een priester konden gebruiken, en vroeg toestemming aan zijn bisschop om naar Molokai te gaan.

Op 10 mei 1873 kwam hij aan op Molokai, waar op dat moment 816 leprozen verbleven, op de kale landtong Kalaupapa, afgesneden van de rest van het eiland door een steile rotswand. Hij reorganiseerde er de verwilderde gemeenschap, begon met de bouw van een kerk en de aanleg van wegen. Naast zijn werk als priester vervulde hij ook de rol van dokter, timmerman, ziekenverzorger, begrafenisondernemer en hij maakte zelfs doodskisten en groef graven. Hij stelde begrafenisverzekeringen in waarvan nieuwkomers verplicht lid moesten worden. Zijn komst was een keerpunt voor de kolonie: wetten werden nageleefd, er kwamen degelijke huizen, hij bouwde twee melaatsendorpen, en een school. De hygiënische en materiële levensomstandigheden verbeterden en hij stichtte er een centrum van bloeiend christendom door de parochie van de heilige Filomena op te richten. In zijn tijd telde de kolonie 800 tot 1000 melaatsen.

Koning David Kalakaua verleende aan Damiaan de titel “Knight Commander of the Royal Order of Kalakaua”. Toen prinses Lydia Liliuokalani de nederzetting bezocht om deze titel te overhandigen, werd ze geraakt door wat ze zag. Zij bracht de wereld op de hoogte van haar ervaringen, en van Damiaans werk. Hierdoor werd zijn naam bekend in de Verenigde Staten en Europa. Protestanten in de VS en Groot-Brittannië brachten grote sommen geld bijeen. Maar het geld verdween in de missiekas. De Kerk van Engeland zond voedsel, medicijnen en kledij. Dit was ook deels te danken aan de vele smeekbrieven die Damiaan zelf schreef en waarvan er één in de Britse pers werd afgedrukt. Hierdoor werd de eerste ontwikkelingshulp op poten gezet.

In november 1884 werd bij hemzelf lepra vastgesteld. Aanvankelijk beschuldigden critici hem van ontucht met een vrouw, omdat men in die tijd ervan uitging dat lepra een gevolg was van syfilis. Daarom werd hij regelmatig onderworpen aan vernederende medische onderzoeken. Damiaan was waarschijnlijk al vanaf 1876 door de ziekte besmet. Met de hulp van vier anderen bleef Damiaan echter verder werken tot veertien dagen voor zijn dood op 15 april 1889 om 8.00 uur in de ochtend. Hij stierf toen hij 49 jaar oud was. Hij werd begraven onder de pandanusboom die hem tijdens de eerste weken op het eiland tot onderkomen had gediend.

Zijn zelfopoffering fascineerde vele mensen over de gehele wereld. Al in 1894, vijf jaar na zijn dood, werd te Leuven een standbeeld van de pater gemaakt door Constantin Meunier onthuld.

Na aandringen van Pater Van Houtte, Provinciaal van de Belgische Provincie der HH. Harten, schreef koning Leopold op 12 februari 1935 een brief aan president Franklin Roosevelt om de repatriëring van de stoffelijke resten van Pater Damiaan te vragen. Franklin Roosevelt zegde de medewerking van zijn regering toe en in de zomer van datzelfde jaar werd bisschop Stephen Alencastre SS.CC. op de hoogte gebracht van het verzoek. Het stoffelijke overschot werd na een dienst op 3 februari met het Amerikaanse marineschip Republic overgebracht van Hawaï naar San Francisco waar het even opgebaard lag. Rond 11 februari voer het schip verder naar de havenstad Christobal alwaar het op 27 februari werd overgedragen aan de Mercator. Op 3 mei 1936 kwam het Belgische opleidingsschip Mercator met de stoffelijke resten van pater Damiaan aan te Antwerpen. Zijn stoffelijk overschot werd overgebracht naar Leuven en er plechtig bijgezet op 5 mei 1936 in de crypte van de Sint-Antoniuskerk aan het Pater Damiaanplein.

Wikipedia