In een kosmopolitische wereldstad als Amsterdam is religie bezig met een opmars. Tijd om de angst voor religie overboord te zetten, betoogt Yvonne Zonderop.

‘Er zijn in Zuidoost meer kerken dan cafés,’ schreef Patrick Meershoek een tijdje geleden. Hij legde de vinger op een ontwikkeling die veel mensen lijkt te ontgaan. Religie keert terug in de grote stad. Amsterdam telt migranten van islamitische, boeddhistische en hindoeïstische afkomst, maar ook veel christenen die ooit elders vandaan kwamen.

Je zou het misschien niet zeggen op basis van de maatschappelijke discussie, maar Nederland telt ten minste evenveel zo niet meer christenmigranten als moslims; tussen de 800.000 en 1,2 miljoen mensen.

Bijna de helft van de belijdende christenen in Amsterdam komt oorspronkelijk niet uit Nederland. Grootstedelijke kerken voeren hun diensten en missen niet alleen op in het Nederlands, maar ook in het Engels en in het Spaans, om tegemoet te komen aan de groeiende vraag van een internationaal publiek.

In de kerkbanken zitten mensen met een verleden in landen als Ghana, Polen of de Filipijnen, en niet te vergeten Suriname en de Antillen. Amsterdam herbergt christenen uit Syrië, katholieken uit Roemenië, protestants-christelijke evangelicals uit Brazilië. Daarnaast zijn er ook nog tienduizenden expats, van wie een flink deel kerkelijk is.

Deze religieuze opleving is geen uniek Amsterdams verschijnsel. Religie hoort bij de nieuwe internationale ervaring. De stad is een smeltkroes van godsdiensten die met de toenemende immigratie alleen maar groter en diverser wordt. Alle grote westerse steden kunnen hierover meepraten. De Britse journalist Ben Judah, die een mooi boek schreef over hedendaags Londen, zei: “In dorpen en kleine steden, daar wonen de goddelozen, niet in hartje Londen.”

Het brengt de moderne grotestadsbewoner in zekere verlegenheid, zoals columnist Janan Ganesh van de Financial Times subtiel verwoordde. Met typisch Brits gevoel voor zelfdepreciatie schreef hij: ‘Ik ken haast niemand die bidt. En dan nog durf ik mij een kosmopoliet te noemen…’

De terugkeer van religie is dus niet een typisch Nederlands verschijnsel. De grote moeite die wij hiermee hebben, is dat wel. In de afgelopen 30, 40 jaar is religie een kwestie geworden van not done. Velen vinden godsdienst gewoonweg eng.

Dit laat zich verklaren uit onze radicale, Nederlandse ontzuiling gedurende de jaren 60 en 70. In die periode rukte een generatie zich los uit een benauwd en beknellend verband, op zoek naar vrijheid.

Ze legden een bom onder een systeem van maatschappelijke ordening op basis van levensovertuiging. Nederland was tot dan toe keurig opgedeeld in overzichtelijke clubs van verschillend geloof, die ternauwernood met elkaar omgingen, en die het sociale leven van de kerkleden voor een groot deel bepaalden.

Voor mensen die zijn geboren na 1970 is bijna niet meer voor te stellen hoe gesegregeerd grote delen van Nederland destijds waren. Je bezocht niet alleen een bepaalde kerk, je ging naar de bijbehorende school, je huurde een huis van de woningcorporatie uit je zuil en je lag zelfs in een ziekenhuis gerund door geloofsgenoten.

De uittocht uit de kerk in Nederland was niet alleen een afscheid van God, maar ook – en misschien wel vooral – een afscheid van een dwingend sociaal construct. Juist omdat godsdienst in Nederland zo’n sterke aanwezigheid had gehad in het sociale leven van mensen, was hun reactie: en nu weg ermee. Ze wilden hun leven leiden zonder kerkelijke bemoeienis. En dus begonnen ze religie zoveel mogelijk te weren uit het openbare domein.

Politici van vele stromingen zijn al jaren bezig de laatste restjes van een christelijk verleden op te ruimen uit de publieke ruimte – denk aan een verbod op klokgebeier of een verplichte winkelopenstelling op zondag. Het idee dat religie een privézaak is die thuishoort achter de voordeur en verder, is gemeengoed geworden.

Nieuwkomers uit alle windstreken komen ons er nu aan herinneren dat dit eigenlijk een merkwaardig standpunt is. De meeste gelovige mensen laten die opvatting doorwerken in hun gedrag in het dagelijks leven, zowel achter de voordeur als in het openbaar. Daar is ook niets op tegen, zolang ze zich houden aan de grenzen van onze democratische rechtsstaat.

Niet iedereen neigt zo tot strenge verzuiling als Nederlanders destijds. Het is juist goed dat mensen zich openlijk uiten en dat er ­maatschappelijke discussie plaatsvindt over hun opvattingen. Dat is veel beter dan dat je ­geacht wordt je geloof niet openlijk te belijden – zoals veel moslims in Nederland nu het idee hebben.

Van oudsher heeft Nederland – en zeker Amsterdam – een traditie hoog te houden van liberale tolerantie. Religieuze verscheidenheid hoort van oudsher bij ons land. Amsterdam is wereldberoemd om zijn katholieke schuilkerken, die in de zeventiende eeuw oogluikend werden toegestaan terwijl de protestanten regeerden. Ze namen de vrijheid van godsdienst ruimhartig op, en de stad voer er wel bij.

Jammer genoeg lijken politici en gemeenteambtenaren deze geschiedenis te zijn vergeten. Ze blijven hangen in het idee van een religieus ontsmet publiek domein. Zo kan het gebeuren dat migrantenkerken veel minder steun van gemeentewege ontvangen dan ze kunnen gebruiken, omdat ambtenaren slechte herinneringen koesteren aan een gelovig instituut. Migrantenkerken of moskeeën zijn vaak toevluchtsoord en gebedshuis tegelijk.

Je treft er mensen die elkaar helpen met ­voedsel, kleding of een warm woord. Het is een participatie­samenleving in het klein. Wat is daartegen?

Hetzelfde geldt voor de gemeenteraad. Waarom mogen arme gezinnen het extraatje dat ze van de gemeente krijgen niet besteden aan Koranl­es? Een seculiere, liberale stad zou juist ruimte moeten bieden aan diverse geloofs­opvattingen, zolang die zich bewegen binnen de rechtsstaat. Religie verdwijnt niet, het komt juist terug en het inspireert mensen. Het wordt tijd dat we ons verzuilingstrauma achter ons ­laten en weer met religie leren omgaan.

Het Parool