Palmzondag (Latijn: Dominica in Palmis), ook wel Palmpasen genoemd, is de laatste zondag van de vastenperiode (de zondag vóór Pasen), vanouds de tweede zondag van de Passietijd, maar vooral belangrijk als eerste dag van de Goede Week. Op Palmzondag wordt door christenen de blijde intocht van Jezus Christus in Jeruzalem gevierd.

Sinds de hervorming van de liturgiekalender in 1970 wordt Palmzondag ook palmzondag van de passietijd des Heren genoemd, voorheen was dit de Tweede zondag in de Passietijd ofwel Palmzondag (Dominica II Passionis seu in Palmis). De Eerste Passiezondag (Dominica I Passionis) wordt in de klassieke Romeinse ritus gevierd op de tweede zondag voor Pasen, één zondag voor Palmzondag.

De gebeurtenis staat beschreven in de vier canonieke evangeliën: Mattheüs 21:1-11, Markus 11:1-11, Lukas 19:28-44, en Johannes 12:12-19.

Volgens deze evangeliën kwam zes dagen voor het Pascha, op de zevende van de maand[bron?] Nisan, Jezus in Bethanië en in Bethfagé. Die avond at hij met Lazarus en zijn zussen Maria en Martha. Twee van de discipelen werden erop uitgestuurd, naar “een tegenovergelegen dorpje”, om een veulen op te halen “waar nog niemand op gereden heeft”. Het veulen zou naast een ezelin staan; indien gevraagd moesten ze zeggen “dat de Heere het veulen nodig heeft en dat Hij het ook weer terug zou brengen”. ’s Ochtends vroeg, op de achtste van de maand Nisanlegden de discipelen hun mantels op de rug van het dier, waarna Jezus erop ging zitten en naar Jeruzalem reed. Langs de weg stonden mensen die riepen: “Hosanna, gezegend is Hij die komt in de Naam des Heeren! Gezegend zij het Koninkrijk van onze vader David, hetwelk komt in de Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen! (Markus 11:9-10, Boek der Psalmen 118:25-26)” Ook spreidden ze hun mantels uit op de weg en haalden ze jonge takken van de bomen om die ook op de weg te leggen.

Na Jeruzalem binnengereden te zijn, ging Jezus naar de tempel. Daar was het een drukte van belang; er werd gehandeld en geld gewisseld. Jezus joeg alle handelaars de tempel uit, hun tafels gooide Hij om. Na deze schoonmaak kwamen er allerlei zieken naar Hem toe die Hij genas. ’s Avonds ging Jezus weer terug naar Bethanië.

In de Katholieke Kerk wordt Palmpasen vanouds gevierd met de zegening van palmtakken aan het begin van de H. Mis. In noordelijker streken worden deze vanwege het klimaat bijna altijd vervangen door buxustakjes, in Midden-Europa door takjes met wilgenkatjes. In Nederland wordt dit ook wel vervangen door takjes van een coniferenhaag. Bij het begin van de misviering zegent de priester de palmtakken met wijwater. Hij gebruikt hiervoor de wijwaterkwast. Na de zegening volgt dan een processie met traditionele gezangen die herinneren aan het volk dat “Hosanna” riep en Jezus met gejuich in Jeruzalem binnenhaalde. Deze muziek heeft, zoals de hele dag, een wat verdrietige ondertoon, vooruitlopend op Goede Vrijdag, de dag waarop Jezus door datzelfde volk verstoten werd. Dezelfden die “Hosanna” riepen op zondag, zouden “kruisig Hem” roepen op vrijdag. Enkele van deze beroemde gregoriaanse antifonen zijn door verschillende componisten bewerkt tot polyfone muziekstukken, zoals Gloria laus et honor tibi sit en Pueri Hebraeorum (De kinderen der Hebreërs). Na de Mis worden de gezegende palmtakken thuis achter de kruisbeelden gestoken.

Op deze dag wordt als evangelielezing voor het eerst het hele lijdensverhaal van Jezus gelezen; de tweede keer is op Goede Vrijdag. In de traditionele Romeinse ritus wordt dat voor de eerste keer ook al op de zondag vóór Palmpasen, de Eerste Passiezondag of zondag Judica gedaan. Tijdens het lijdensverhaal knielen de gelovigen enige tijd na de woorden “Jesus autem iterum clamans voce magna, emisit spiritum” (Jezus slaakte andermaal een luide kreet en gaf de geest).

Wikiepdia